BENNE SOLINGER SCHREEF DIT BOEK NIET VOOR NIETS

In 1995 schreef Benne Solinger, op verzoek van Ton Valkenburg, het boekje: “Je doet het niet voor niets”, Vrijwilligerswerk in de Praktijk, in de reeks: Een positieve kijk op ouder worden. In die tijd was ik waarnemend directeur en Hoofd interne- externe Communicatie van de Protestants christelijke Ouderen Bond (PCOB) en had ruim 20 jaar ervaring in het ouderenwerk, zowel intra- als extramuraal.Felicitaties voorzitter gezamenlijke Ouderenbonden (gedigitaliseerde oude foto met dank aan Maurits Gortemaker)
Het (inmiddels bijna uitverkochte) boekje gaat over vrijwilligerswerk van en door ouderen in de samenleving. Het boekje bestaat uit korte verhaaltjes (columns). In totaal komen er ruim 40 verschillende soorten van vrijwilligerswerk aan de lezer voorbij. Het zijn op zich zelf staande verhaaltjes die een idee geven wat ouderen voor de samenleving en elkaar kunnen betekenen.De huidige term is ook wel: “Zilveren kracht”. Benne denkt dat veel van zijn toen opgeschreven voorbeelden ook vandaag de dag nog behoorlijk actueel zijn. Maar je kunt zelf een oordeel vellen, hieronder kun het je boekje lezen, ik wens je veel lees plezier en heb je vragen of suggesties: , groeten BenneFelicitaties voorzitter grootste ouderenbond Unie KBO (gedigitaliseerde oude foto)

INDELING

Hoofdstuk 1: VRIJWILLIGERSWERK VAN SOCIALE AARD

1.1.                  De telefooncirkel
1.2                   Thuiszorg
1.3                   Terminale thuiszorg
1.4                   De eetcirkel
1.5                   Klusjes­diensten
1.6                   Alarmerings­hulp
1.7                   Open Tafels
1.8                   Tafeltje-dek-je
1.9                   Oppasgroepen
1.10                 Gastvrouw/-heer in het dienstencentrum
1.11                 Gastheer/-vrouw in een zieken­huis
1.12                 Dagop­vang
1.13                 De buddy
1.14                 Chauffeurbegeleider
1.15                 Dierenambulance
1.16                 Vrijwilligerswerk onder asielzoekers
1.17                 Het verzorgingshuis

Hoofdstuk 2: VRIJWILLIGERSWERK IN DE KERK

2.1                   Diaco­naal werk
2.2                   Organist
2.3                   Vereni­gings­werk
2.4                   Werkgroep voorbereiding ere­diensten
2.5                   Correspondent
2.6                   ‘Dient elkaar door liefde’

Hoofdstuk 3: BELANGENBEHARTIGEND VRIJWILLIGERSWERK

3.1                   Vrijwilliger in een ouderenbond
3.2                   Ombudswerk
3.3                   Patiënten- en consumentenplatforms
3.4                   Gildenprojecten
3.5                   Ondersteu­ning Mantelzorg
3.6                   Ouderentelefoon
3.7                   Vrijwilligerswerk buiten Nederland

Hoofdstuk 4: VRIJWILLIGERSWERK EN EDUCATIE

4.1                   Lees­groepen
4.2                   Stadsrondleidingsgroepen
4.3                   Fauna en flora groepen
4.4                   Taalgroepen
4.5                   Studiekringen

Hoofdstuk 5: OVERIGE VORMEN VAN VRIJWILLIGERSWERK

5.1                   Tuiniergroe­pen
5.2                   Opvoeden is moeilijk
5.3                   Fotograferen
5.4                   Regionale Omroepen
5.5                   Hobby’s
5.6                   Koken
5.7                   De spelotheek
5.8                   Collecteren

Hoofdstuk 6: SLOT

6.1                   Er kan nog veel meerWethouder SCW, Tineke vd Bruggen, aan het woord (gedigitaliseerde oude foto)

Hoofdstuk 1: VRIJWILLIGERSWERK VAN SOCIALE AARD

1.1 De telefooncirkel

“Jarenlang heb ik een eenzaam leven geleid na het overlijden van mijn vrouw. Het was geen mooie tijd. Maar op een goede dag las ik in mijn ‘huis-aan-huisblad’ iets over een telefooncir­kel hier in de stad. Die cirkel werd georgani­seerd door de Stichting Welzijn Ouderen, er werden vrijwilli­gers gezocht. Ik heb eerst wat meer informa­tie ge­vraagd. Aan­van­ke­lijk dachten ze, dat ik deelnemer wilde worden, maar daar was ik nog niet aan toe. Ik wilde nog graag wat nuttigs doen en meldde me aan als vrijwilliger. Na een gesprek met de project­leidster, werd ik als vrijwil­liger aangesteld en sinds­dien doe ik om de week dienst bij de tele­foon­cirkel. Daarom zet ik deze week iedere morgen de telefoon­cirkel in wer­king. Ik ben nu 79 jaar en, God­dank, nog kernge­zond.”

“Wat is precies uw taak als vrijwilliger?”

“Eigenlijk is het helemaal niet zo’n moeilijke taak. Iedere morgen om 8.00 uur bel ik met de eerste deelnemer. Ik heb daarvoor een lijstje met namen gekre­gen. De eerste deelne­mer is een vrouw. Ik bel haar en we hebben een kort ge­sprekje. Daarna belt zij met nummer twee op de lijst en die belt weer met num­mer drie. Net zolang tot de laatste mij weer belt. De cirkel is rond en voor die dag zit mijn taak er op.”

“Waar is zo’n cirkel goed voor?”

“Ooit zijn ze in Zweden begonnen met telefooncirkels, mensen wonen daar verder uit elkaar dan in Nederland. Het Rode Kruis heeft ze ook in Neder­land geïntro­du­ceerd, met name voor oude­ren. Deelne­mers vinden het heel gezellig om ‘s mor­gens een praatje met elkaar te maken. Het doet ze denken aan ‘het praatje over de heg’ van vroeger. Maar het is niet alleen sociaal, het is ook zinvol. Als er ‘s nachts iets gebeurt, kom je er altijd ‘s morgens al achter. Want als er niet wordt opgenomen krijg ik dat meteen door.”

“En wat doet u dan?”

“Ik bel met degene die een sleutel van de voordeur heeft. Die gaat kijken wat er aan de hand is.”

“Dat klinkt goed, maar hoe weet u wie de sleutel heeft?”

“Iedereen die meedoet aan de telefooncirkel, mag zelf één of twee ver­trou­wensper­sonen doorgeven. Die krijgen een sleutel van het huis en mogen daarmee, in geval van nood, naar binnen. Ik weet wie welke sleutel heeft. Van één deelne­mer heb ik zelf de sleutel gekre­gen. Het kan dus voorko­men dat ik er zelf op uit moet. Overi­gens hebben we aan de politie doorge­geven, wie er allemaal een sleutel heeft. Dat is een stuk veiliger voor alle deelne­mers.”

“Kent u alle deelnemers en sleutelhouders?”

“Ja. Eens in de 2 maanden is er een bijeen­komst met alle vrijwilli­gers. Die kunnen dan zelf ideeën inbrengen over het reilen en zeilen van de cirkel. Samen met de sleutel­hou­ders wordt eens in het jaar een gezelli­ge avond gehouden.”

“Krijgen de vrijwilligers nog ondersteuning bij hun werk?”

“Zeker, het is leuk te vertellen, dat ik op mijn leeftijd pas gele­den nog naar een speciale telefoon­training ben ge­weest. Die training werd georgani­seerd door het Rode Kruis. Ik heb veel geleerd van de ge­spreks­techniek en dat is duidelijk te merken.”

1.2  Thuiszorg

“Er zijn enorm veel mogelijkheden op het gebied van de thuiszorg, maar toch blijkt er regelmatig behoefte te bestaan aan aanvullende thuiszorg. Soms is profes­sio­nele hulp niet direct voor handen. Soms ook komt de hulpvrager niet gelijk in aanmer­king voor professionele hulp. Daarom zijn er de afgelo­pen jaren vele gesprekken geweest, zowel met mogelijke vrijwilligers als ook met professi­o­nele hulpverle­ners. Uit die gesprekken bleek maar al te duidelijk, dat professi­o­nele instanties niet overal een oplossing voor hebben. Uit de ge­sprekken met de professionele hulpver­leners is ook duidelijk geworden, dat zij in sommige gevallen willen doorverwijzen naar de Vrijwilli­ge Thuis­zorg. Natuurlijk hebben wij vanuit onze werkgroep van de Neder­landse Patiënten Vereniging (NPV) ook contacten gelegd met andere vrijwilligersor­ganisaties. Het is onno­dig om dubbel werk te doen. Wij willen aanvullende mantel­zorg geven. Dat betekent, dat wanneer er bij ons een hulpvraag binnenkomt, wij eerst zullen nagaan of er al een hulpverlenings­aanvraag bij bijvoorbeeld de gezins­zorg is gedaan. Wij vullen alleen daar waar nodig de “gaten” en denken dat op deze manier de thuiszorg intensie­ver, sneller en dus beter zal worden”, aldus Gerdien Bols (58).

Er is in de loop van de tijd een werkgroep ontstaan met zo’n 40 vrijwilli­gers. Om alles goed te coördineren zijn er twee coördinatoren aangesteld, waarvan Gerdien er één is. De telefoonnummers van deze coördinatoren komen in de huis aan huisbladen en in de gemeente­gids.

“Iedereen kan ons zodoende op bepaalde tijdstippen per dag bellen en wij kunnen putten uit een groot aantal vrijwilli­gers. In overleg met de profes­sionele instellin­gen zijn er vrij veel taken in ons diensten­pakket opgenomen. Als bijvoor­beeld de verzorger uitvalt, kunnen wij insprin­gen om de kinderen op te vangen. Ook kunnen wij invallen bij de verzorging van een zieke of gehandicap­te. Maar we begeleiden ook wel mensen naar het zieken­huis of de dokter. Verder zijn er mogelijk­heden voor bezoekwerk aan eenza­men, dementerende ouderen of terminale patiënten.

1.3 Terminale thuiszorg

“Zoals altijd loop ik uren van te voren te drentelen. En als ik eenmaal in de auto zit, ook dan ben ik met mijn gedachten bezig met de komende nacht. Alleen met mijn gedachten. Wat zal ik aantreffen? Ik weet van de vorige vier nachten dat het eigenlijk een wonder is dat mijnheer nog leeft. Als ik binnen­kom, blijkt het dat het deze nacht kan aflopen. De familie is aanwezig en blijft die nacht. Ik stel me voor en praat even met hen. Eigenlijk neem ik aan, dat ik wel weer naar huis kan. De hulp van de familie is toch voldoende. Maar dan zie ik die gezichten. Het lijkt een schreeuw om hulp: “Nee, gaat u niet naar huis, wilt u alstublieft blij­ven!”. Alsof ik, als vrijwilliger alles afweet van sterven. Maar natuur­lijk, ik blijf en ga zitten. Eerste rang. Ik voel me er niet prettig bij, zo op de voorgrond. Maar als zijn hand me zoekt en een stem zegt: “zus­ter”, dan is ineens het onbehagen weg en ben ik er voor hem en zijn familie. Ze mogen gaan slapen, bij toerbeurt, ik had me toch immers voorbereid op deze nachtwa­ke. Om twee uur wordt de man onrusti­ger. Ik wek de familie. Stil zitten we bij elkaar. Het is drie uur, ineens zegt de stervende: “Vader”, wijst met zijn vinger naar boven en slaapt in. Ik voel me heel rustig, troost de verdrietigen. Regel de dokter. Ben er voor hen.”

Vrijwilligerswerk in de Terminale thuiszorg, maar ook in een hospice, doe je niet zomaar. Het is geweldig om ondanks een kleine en soms onzekere familie, toch thuis of in een huiselijke omgeving te kunnen sterven. Maar om dat te kunnen, zijn er heel veel vrijwilligers nodig. De vrijwilliger werkt, zeker in de terminale thuiszorg, op zeer onre­gelmati­ge tijden. Soms moet je een middagje waken, omdat de echtge­noot eens even vrij wil. Soms ook werk je de hele nacht van 23.00 – 7.00 uur. Zo’n wake is emotioneel en vaak fysiek zwaar. Je hebt vaak open, vertrouwe­lijke gesprekken met de stervende of met een familie­lid. Maar aan de andere kant moet je ook wel eens een bed verscho­nen. Het is geen gemakkelij­ke, maar wel een mooie en gevarieerde taak. Het gebeurt ook, dat mensen op hun sterfbed helemaal niet vriendelijk zijn. Ze mopperen op alles, hebben soms ook veel pijn. Als vrijwilli­ger moet je dit allemaal kunnen opvan­gen. Het is mij al meer dan eens overkomen, dat ik werd opgeroepen en dat de patiënt bij mijn binnenkomst al was overleden, of dat er werd afgebeld net voordat ik mijn huis verliet.

Gelukkig zijn er hier coördinatoren, die de vrijwilligers ondersteu­nen. Ze staan altijd klaar en informeren ook regelmatig hoe het met je werk gaat. Zonder die coördinatoren was het werk voor mij toch wel erg zwaar. Ook worden er regelmatig bijscholingscursussen voor vrijwilligers georgani­seerd. Het is hier goed gere­geld.

Wat ik ook heel mooi vind, is de reacties achteraf van de familie. Ik heb prachti­ge bossen bloemen gekregen, bedankbrieven en ga zo maar door. Op die momen­ten merk ik altijd dat dit werk enorm wordt gewaardeerd, juist ook door de familie.

“De Terminale Thuiszorg is hier gestart op initiatief van een ouderen­bond in 1987. Eerst heeft deze bond een avond belegd waarbij allerlei maat­schap­pelijke organisa­ties en kerken werden uitgenodigd. Daar­naast waren ook de huisart­sen, specialisten uit het ziekenhuis en maatschap­pelijk ­werkers uitgeno­digd. Die avond waren er zo’n 70 aanwezigen. Dankbaar hadden we vooraf gebruik gemaakt van de informatie van de Leendert Vriel­stichting, een Stich­ting Terminale Thuiszorg in de regio Enschede en de Prof. Linde­boomstichting uit Zwolle. De Stichting Terminale Thuis­zorg is gestart op 13 april 1988. Het huidige werkge­bied is momenteel uitgebreid over een vijftal gemeenten”, aldus Bertus Verhoef (76), die als initiatiefnemer in 1987 voorzitter van een PCOB-afdeling is.

1.4 De eetcirkel

“Wat zal ik vanavond eens koken?”, mompelt Martha van Buren (82) terwijl ze in de super­markt loopt.

“Hè, wat zegt u?” vraagt een mevrouw, die net een pak suiker in haar karretje legt.

“Oh, ik vroeg me af wat we vanavond weer eens zullen eten. ‘t Is niet makke­lijk om voor 5 mensen iedere week wat anders te beden­ken.”

“Zijn jullie nog met zoveel mensen thuis?”

“Nou nee, eigenlijk woon ik alleen.”

“Krijgt u dan visite?”

“Eigenlijk kun je het geen visite meer noemen. We eten nu al drie jaar om beurten bij elkaar, dus visite….?”

“U maakt me nieuwsgierig, mevrouw…”

“Ik zal het u uitleggen.”

“Wanneer u ooit alleen komt te staan, zoals ik, dan zult u het wel merken. Geen zin meer om te koken. In je eentje eten is niet echt gezel­lig en voor jezelf sloof je je niet zo uit. Ik werd weduwe op mijn 74-ste en woon nu al 8 jaar alleen. In die tijd heb ik zeker 4 jaar slecht gege­ten. In het begin gaat het nog wel. Elke dag kookte ik gewoon. Maar na een paar maan­den was de lol er af. Ik vond een boter­ham­metje wel genoeg, maar begon na verloop van tijd te mer­ken, dat dat niet echt gezond was. Op een dag sprak ik een mevrouw die ergens in hetzelfde flatgebouw woont. Het bleek, dat we in een soortgelijke situatie zaten. We hebben toen afgesproken, dat ze een keer bij mij thuis zou komen eten. We vonden dat allebei erg gezellig. En eerlijk gezegd is koken voor z’n tweetjes me heel wat beter beval­len dan voor mij alleen. Ik probeerde er mijn best op te doen. En als de ander dat merkt en er lekker van zit te eten, is dat fijn om te merken.

We zijn dat vaker gaan doen. De ene keer kookte zij, de andere keer ik. En allebei kregen we weer lol, niet alleen in het koken, maar ook in het leven. Het leven krijgt meer zin, je moet iets voor de ander doen. Na verloop van tijd heb­ben we eens een stukje in de krant gezet. We konden ons voorstel­len, dat er meer mensen waren met dezelfde proble­men. Het gevolg is, dat we nu regelma­tig met ons vijfjes eten. Er is ook een man bij. Om beurten koken we voor elkaar en eten bij elkaar thuis. We zijn eigenlijk vrien­den geworden. En weet je wat leuk is? Die man heeft een kook­cursus voor mannen gevolgd. Hij draait nu ook gewoon mee en kookt op zijn beurt.”

“Wat een goed idee.”

“Zeker, maar ook wel eens ingewikkeld, wat zal ik nu toch vandaag eens ko­ken…..?”

1.5 Klusjesdiensten

“Wat heerlijk hè, om twee rechterhanden te hebben!”, zegt een alleen­staande oudere dame tegen Jeannet Terpstra (67), “en wat een geluk, dat er hier een klusjes­dienst is.

Hoe komt u daar nu als vrouw in verzeild?”

“Ja, dat is een heel verhaal. Bij ons thuis waren we met zes meiden. Mijn vader was veel weg voor zijn werk en had ‘s avonds allerlei verplichtin­gen. Mijn moeder had het nogal druk met al haar dochters. En erg rijk waren we niet. Ik was de oudste van het stel en zodoende werd er nogal eens een beroep op me gedaan. Ik hielp dus veel mee in huis. Eerst met was­sen, stoffen en de afwas. Later hielp ik mee met stofzuigen en bedden opma­ken. Op een dag was de stofzui­ger kapot en er was eigen­lijk geen geld om dat ding te laten repareren. Ik heb toen een schroevendraaier gepakt en de stofzuiger open­ ge­schroefd. Eerlijk ge­zegd, had ik geen idee waar ik naar moest zoeken. Maar na wat ‘speur­werk’ zag ik dat er een draadje was losge­scho­ten. Even het schroefje los­draaien, het draadje er in en vijf minuten later werkte de stofzuiger weer.

Ik zal nooit vergeten hoe blij mijn vader en moeder waren. En dat stimu­leer­de mij. Steeds als er iets kapot was in huis, probeer­de ik het zelf te repare­ren en heel vaak lukte dat.”

“Je bent nu dus een soort monteur?”

“Ja, ik kreeg er steeds meer lol in. Vanaf mijn huwelijk doe ik al de klusjes in huis. Het bespaart ons niet alleen veel geld, maar ik vind het nog leuk werk ook.”

“Hoe ben je eigenlijk bij de klusjesdienst gekomen?”

“Eigenlijk per ongeluk. Ik ging eens naar een diamiddag bij een Stich­ting Welzijn Ouderen. Daar zag ik op het prikbord oproepen van de Vrijwilli­gers Vacature­bank. Eerlijk gezegd had ik daar nog nooit van gehoord. Ik las de kaartjes en zag dat er een klusjes­dienst was, die vrijwilligers zocht. Ik noteerde het telefoonnum­mer en heb gebeld.”

“En werd je toen zomaar aangenomen?”

“Niet zomaar, ik werd uitgenodigd voor een soort sollicitatiegesprek. Daar vroegen ze me van alles. Waarom ik juist naar deze vacature had gebeld. Hoeveel tijd ik beschik­baar had. Welke klusjes ik zoal zou willen en kunnen doen. Het was een gezellig maar toch ook wel serieus ge­sprek. Ik geloof dat ik de eerste en nog steeds enige klusjes­vrouw ben. Het is erg leuk werk en je komt bij heel veel mensen. Wat ik ook fijn vind, is dat mijn man en ik, sinds zijn pensionering, niet hele dagen samen zijn. Het is best wel gezellig hoor, maar een extra taak om han­den, is toch wel goed voor je relatie. Je hebt elkaar wat te vertellen en voelt je nuttiger.”

1.6 Alarmerings­hulp

Er is alarm, Peter Booij (72) stapt op zijn fiets en rijdt naar het ver­pleeg­te­huis­. Hij haalt een huissleutel op en fietst snel naar het opgege­ven adres. Daar aange­komen belt hij aan, wacht even en belt nog eens. Hij ziet geen beweging en hoort niets in de gang. Snel gaat hij naar binnen. Voorzich­tig loopt hij het huis in. Dan hoort hij een zacht gekreun. De bewoner, de heer Van Winden, is een wat oudere man. Hij ligt op de grond. Het zweet gutst langs zijn rode, ietwat gezwollen gezicht. Snel loopt Booij naar hem toe en geeft deskun­dig de eerste hulp. Dan belt hij naar 06-11, vraagt om ambulancehulp en geeft de situatie door aan het verpleegtehuis. In afwachting van de ambulance verzorgt hij de heer Van Winden zo goed moge­lijk.

Al snel zijn de verplegers er, ze onderzoeken Van Winden en vervoe­ren hem naar het ziekenhuis.

De heer Booij gaat terug naar het verpleegtehuis, geeft de sleutel af en vult het hulpverle­nings­formulier in. Ondertussen wordt de familie van de patiënt gebeld. Zij wonen ver weg en zullen zich in verbin­ding stellen met het zieken­huis.

De volgende dag bezoekt Booij de heer Van Winden in het zieken­huis. Het gaat redelijk met de patiënt, maar het houdt nog niet over.

In het gesprek dat volgt, vertelt Van Winden dat hij het heerlijk vond dat Booij er zo snel was. Gisteren voelde hij zich enorm beroerd, daarom heeft hij het alarm ingescha­keld.

In het ziekenhuis bleek, dat hij een lichte hartaanval had, de tweede al.

Na zijn eerste had hij zich aangemeld bij de alarmeringshulp. Daar­door voelde hij zich veiliger, want zijn familie woont nogal ver weg en naar een verzor­gingshuis wil hij nog niet.

Peter Booij vertelt hoe hij bij de alarmeringsdienst terecht is geko­men. “Voor mijn vroegere werk had ik een EHBO-diploma nodig. Ik werkte in een congres­centrum waar nogal veel mensen kwa­men. Toen ik een­maal in de VUT zat, wilde ik nog iets zinvols om handen hebben. Ik las in de krant dat er een alarme­rings­hulp werd opgezet. Een initiatief van de gezinsverzorging in samen­werking met het verpleeg­tehuis. Daar heb ik mij aange­meld. Ik was toen 63 jaar. Het is een mooi systeem voor iedere oudere die zelfstan­dig woont. En het werkt hier goed. De thuishulp verzorgt de aanvraag en heeft de zendertjes te huur. Zo’n zendertje is gemakkelijk om je polst te dragen. Als er wat gebeurt, druk je op een knopje en bij het ver­pleegtehuis gaat de telefoon. Op een monitor is te zien wie er belt en waar de vrijwilli­ger heen moet. Een prima systeem.”

1.7 Open Tafels

In een gezellige sfeer treffen we een groep ouderen aan, die met elkaar de warme maaltijd gebruiken. Dat is gelijk de kern van de ‘Open Tafel’, bena­drukken Hermien van Gemeren (71) en Jaap Draaier (62), twee vrijwilligers bij de ‘Open Ta­fel’.

“Kunnen jullie aangeven wat een ‘Open Tafel’ is?”

“Zeker, bij een ‘Open Tafel’ kunnen mensen, goed verzorgd en vaak niet duur, met elkaar een warme maaltijd gebruiken. In de meeste gevallen wordt deze mogelijk­heid aangebo­den door een verzor­gings­huis. Ouderen uit de wijk kunnen op afspraak gebruik maken van de ‘Open Tafel’.”

“Hoe gaat dat in z’n werk?”

“Eigenlijk heel eenvoudig. De één wordt ouder en heeft geen zin meer voor zichzelf te koken. De ander voelt zich alleen of eenzaam en wil zo nu en dan onder de mensen zijn. Hoe dan ook, zij kunnen navragen of er in de gemeen­te een mogelijk­heid is om ergens, samen met anderen, een maaltijd te gebruiken. Helaas kan dat nog niet in iedere gemeen­te, maar er komen steeds meer mogelijk­he­den, vaak in een verzor­gings­huis. Zodra je bent ingeschreven, kun je per week één of meerde­re maaltij­den bestellen. Natuur­lijk tegen betaling. Je hebt per dag meestal keuze uit meerdere menu’s. Hieruit kun je vooraf kiezen. Op de afge­sproken dagen staat je tafel gedekt en ga je ‘uiteten’. Meestal samen met ande­ren. Heel simpel eigenlijk zo’n ‘Open Tafel’.”

“Wat is jullie taak precies?”

“Wij zijn zogezegd gastman/-vrouw. We dekken de tafels. Serveren de maaltijd. Ruimen de tafels af en helpen soms wat in de keuken. Maar we leggen ook  contacten en proberen het gezellig te maken. We doen dit op vrijwillige basis”

“Ik zie zoveel personeel, waarom doen zij dit werk niet?”

“Je moet hier maar eens rondlopen. Dan zal je zien hoe zwaar het werk al is. Deze extra taak kan er echt niet bij. En voor extra perso­neel is geen geld, of de maaltij­den worden onbetaalbaar en dan heeft de ‘Open Tafel’ geen zin.”

“Dus jullie doen dit vrijwilligerswerk om de maaltijden goed­koop te hou­den?”

“Jawel, daarom ook. Maar we doen het nog meer, omdat het gezel­lig is en om de contacten die je erdoor met anderen krijgt. Het is leuk om de mensen te bedie­nen. Het is heel goed dat wij er zijn. Zeker als mensen om een gesprekje verlegen zitten. Je merkt dan ook veel eenzaam­heid, of verdriet. Sommige men­sen vinden het fijn om eens in alle rust te kunnen praten. Dat doet ze goed. Maar we hebben ook nog wel andere taken. We hebben gelukkig allebei een rijbewijs en nog een autootje. Het komt wel voor, dat we mensen ophalen en thuisbren­gen. Dat hoort, althans wat ons betreft, bij dit vrijwilli­gerswerk.”

“Hoe lang doen jullie dit werk nu?”

Hermien van Gemeren doet het werk al zeven jaar en vindt het nog steeds heerlijk. “Ik ben hier kind aan huis en help tegen­woordig ook wel mee als een bewoner jarig is en een feestje geeft.”

Jaap Draaier is pas begonnen, vrijwel direct nadat hij in de WAO kwam. Hij voelt zich erg thuis en vindt het nuttig werk.

“Zijn de ‘Open Tafels’ nog veranderd in de loop der jaren?”

“Zeker, in het begin konden alleen zelfstandig wonenden uit de omge­ving gebruik­ maken van de ‘Open Tafel’. Tegenwoordig zijn er ook bewoners van het verzor­gings­huis zelf, die naar de conversa­tiezaal komen en mee eten. Zij vinden het fijn om ook eens met ‘men­sen van buiten’ te kunnen praten. Ze voelen zich daardoor meer bij de samen­le­ving betrok­ken.”

Tafeltje-dek-je

“Wanneer je meer dan twee klanten hebt, die niet zo dicht bij elkaar in de buurt wonen, is een auto noodzakelijk, want dan blijven de maaltij­den goed warm”, vertelt Riny Brugmans (70) als vrijwilliger bij het Tafeltje­Dek­-Je-project. Ze heeft net haar maaltijden weggebracht en dus wel even tijd. Even later zitten we in een informatief en leerzaam gesprek over het project Tafeltje-dek-je. Ze weet er heel wat vanaf. “Tafeltje-dek-­je-projecten zijn veelal in de jaren zeventig gestart. Voor mensen die niet zo goed voor zichzelf kunnen koken is Tafeltje-dek-je een uitkomst. Nadat iemand zich heeft aangemeld, krijgt hij vervolgens een aantal warme maaltij­den per week, uiter­aard tegen betaling, thuis­be­zorgd. In principe kan iedereen zich aan­mel­den. Vaak is het wel zo, dat er een medische verkla­ring van een huisarts nodig is om mee te doen. Vroeger ging dat anders, maar er kwa­men zoveel aanmel­din­gen en de capaciteit van de meeste keukens is beperkt.

In veel gemeen­ten zijn er dergelijke projecten. Maar van gemeente tot ge­meen­te variëren de regels en ook de prijzen. In de ene plaats wor­den er verse maaltij­den gekookt in een verzorging-, verpleeg- of zieken­huis en warm thuisbe­zorgd.

In andere plaatsen worden er ingevroren diepvriesmaaltijden rond­ge­bracht, die thuis in een (gehuurde) magnetron worden opge­warmd. Er zijn plaatsen waar de maaltij­den door betaalde krachten worden rondge­bracht. Het komt ook voor dat familie en/of vrienden tussendemiddag de maaltij­den opha­len.

Bij ons werken we met vrijwillige bezor­gers. Eén week per maand, bezorg ik bij tien klanten een warme maaltijd, die in het ziekenhuis worden klaarge­maakt. Van maan­dag tot en met zaterdag ben ik elke dag om een uur of kwart over twaalf aanwezig. De maaltijden staan klaar in de keuken. Ze mogen niet verwisseld worden, want sommige gebruikers hebben een dieet. Daarom staat op ieder pakket naam en adres. De pakket­ten gaan op volgor­de in mijn auto. Bij het afleveren van de maal­tijd maak ik altijd een kort praatje. Daarna ga ik naar de volgende klant.”

“Dus eigenlijk is de bezorging van maaltijden de belangrijkste taak?”

“Eerlijk gezegd kun je er zoveel van maken als je maar wilt. Het belang­rijkste is, dat alle gebruikers de maaltijd zo warm mogelijk thuis krij­gen. De keurings­dienst van waren controleert regelmatig. Je moet dus snel werken. Toch let ik er altijd goed op, hoe het met de klant is, wanneer hij open doet. In de loop der jaren ontwikkel je een soort zesde zintuig.

Het komt nogal eens voor, dat ik afspreek na mijn rondje even terug te komen. Vaak volgt er dan een goed gesprek.”

“Prachtig, wanneer je je taak zo in kunt vullen.”

“Dat is het ook! Maar soms is je taak uitgebreider. Ik heb het nu drie keer meege­maakt, dat ik de maaltijd moest bezorgen bij ie­mand met de ziekte van parkinson. Door die ziekte heeft men nogal eens hulp van anderen nodig. Zodra ik dat weet, ga ik als laatste naar dat adres. Op zo’n manier kan ik in alle rust helpen met tafel dekken, opschep­pen en soms ook met eten geven.”

“Wie organiseert Tafeltje-dek-je-projecten?”

“Ook dat is heel verschillend. Soms het Gecoördineerd Ouderen­werk, een andere keer de Thuiszorg, maar zo hier en daar is het ook een combinatie van organisa­ties. In de ge­meente­gids kun je het terugvin­den onder Tafeltje-dek-je.”

“Hoe betaal je je autokosten?”

“Dat is meestal goed geregeld. Hier krijgen we per kilometer be­taald. Op andere plaatsen krijg je een bedrag per bezorgde maaltijd. Ik heb nog nooit gehoord, dat een vrijwilliger voor onkosten moet opdraai­en.”

“Hoop je het werk nog lang te doen?”

“Bij leven en welzijn, hoop ik dit werk nog heel lang te doen. Het is heerlijk met mensen om te gaan. Het is gezellig een praatje te maken en wat is er mooier om mensen iedere dag een heerlij­ke maaltijd te bezor­gen. Zeker als ze niet meer in staat zijn een warme maaltijd voor zichzelf klaar te ma­ken……”

1.8 Oppasgroepen

“Hoe gaat dat tegenwoordig? Mensen trouwen. Krijgen allebei een baan. Er komen kinderen en ineens zitten ze om oppas verlegen. Buren werken, of zijn nogal eens weg. De familie woont niet om de hoek. Dus ontstaat er een pro­bleem. Niet dat die jongelui er maar op los leven. Maar in zo’n druk bestaan willen ze toch ook wel eens saam­pjes….”. Aan het woord is Sonja van Geme­ren (63). Zij is vrijwil­li­ger via de oppascen­trale en bijna 40 jaar ge­trouwd.

Helaas heeft ze zelf geen kinderen, maar ze houdt er wel veel van. Vrien­dinnen vertellen haar regelmatig hoe leuk het is oma te zijn. En omdat ze dat zelf moet missen, is ze op zoek gegaan naar passend vrijwilli­gers­werk. Ook al was ze één van de eerste oudere vrouwen die aanklopte bij de oppascen­trale, toch was ze hartelijk welkom. Meestal schrijven zich studen­ten of school­jeugd in. Haar leeftijd bleek geen enkel bezwaar. Ze krijgt zelfs nog een bedrag per uur, waarvoor ze soms iets leuks voor de kinderen koopt. Zeker wan­neer ze vaker op hetzelfde adres moet oppas­sen. Het is heerlijk werk. Vooral overdag, als de kinderen niet slapen en je met ze kunt spelen en praten. ‘s Avonds is het vaak erg rustig. Sonja vindt het belang­rijk iets met kinderen te kunnen doen, terwijl ze tevens de ouders helpt door op te passen.

Oppassen kun je doen vanuit een oppascentrale. Maar er zijn ook mensen die zelf een oppas­groep oprichten, bijvoorbeeld samen met een aantal vrien­den. Een paar van mijn vriendinnen hebben dat ook gedaan. Ze hebben hun eigen ‘spelre­gels’ gemaakt en bieden zich via de huis-aan-huisbladen aan, onder de hulpdien­sten. Ik hoorde dat ze tegen­woor­dig ook zijn opgeno­men in gemeen­tegids en telefoon­boek. Het loopt er storm.

1.9 Gastvrouw/-heer in het dienstencentrum

Dagelijks zie je ze het dienstencentrum binnengaan. Meestal is het een groep mannen, maar tegenwoordig komen er ook nog wel eens vrou­wen. Heel gezellig, elke middag met elkaar als oude vrienden en vrien­dinnen, lekker biljarten, een beetje met elkaar kletsen. En een heerlijk bakje koffie of thee erbij.

Maar ook op een biljartmiddag in de soos geldt: “als de koffie­juf­frouw het wil, ligt het hele radarwerk stil”. En dat wil deze gast­vrouw nu juist niet. Ze vindt het keer op keer een uitdaging om het de bezoe­kers van het diensten­centrum naar de zin te maken. Vier keer per maand is Ada Kralingen (56 jaar) daarom gastvrouw in een dien­sten­centrum. Dit dienstencen­trum is een onder­deel van een Stichting Welzijn Ouderen. Wekelijks zijn er vele activi­tei­ten voor ouderen te doen. Er is een zang­groep, een koersbal­ groep en er zijn volks­dans­groe­pen. Op andere mo­menten zijn er teken- en schildercur­sussen of wordt er aan handwerk gedaan. Eens in de twee jaar is er grote verkoop en met het dan ‘ver­diende’ geld wordt er nieuw materiaal gekocht. Ook in die andere groepen wordt er met vrijwilligers ge­werkt. Maar Ada kiest juist voor die biljartgroepen. Ze vindt het leuk om het voor deze bezoe­kers gezellig te maken in het diensten­cen­trum. Ze is van de biljartsport gaan houden en vindt het fijn om anderen te helpen en te verzorgen. Het is eenvoudig werk. Je kunt zelf aangeven hoe vaak je wilt komen en daardoor ben je behoorlijk vrij.

Haar taken op zo’n middag bestaan uit koffie en thee zetten en deze serve­ren aan de bezoekers van het dienstencentrum. Ze begint meest­al om kwart over twee. Om kwart voor drie schenkt ze het eerste bakje koffie of thee, om kwart over drie het tweede. Daarna wordt alles schoongemaakt en afgewas­sen. Als de bezoekers zin hebben, wordt er ook nog wel eens wat frisdrank ge­schon­ken. Bij heel warm weer haalt ze wel eens ijs of een pilsje, maar in dit dien­stencen­trum is er geen drank­vergun­ning, dus daar­mee moet ze wel wat uitkijken. Ada doet dit werk al enkele jaren en vindt het nog steeds leuk. Wat de laatste jaren steeds vaker gebeurt, is dat er competities worden gehouden. Bij toerbeurt gaan groepen van het ene diensten­centrum naar het andere en dan houden ze een wed­strijd. Heel span­nend, maar wel erg leuk. Per jaar is er een wisselbeker beschikbaar.  Het valt wel op dat de biljarters er fanatieker van worden. Ada hoort zichzelf nogal eens zeggen: “Maar mensen, het gaat toch om het spel”. Ze wil niet dat het wedstrijdele­ment de altijd zo gezellige sfeer verknoeit. Ook vindt ze, dat iedereen zich in deze sociëteit thuis moet kunnen voelen. Ook de wat mindere biljarters, die vooral voor de gezel­ligheid komen.  Ze heeft wel eens gehoord, dat er op Walcheren groe­pen zijn ontstaan, die in plaats van biljarten gaan kurken. Dat is een soort groeps­biljart­spel, echt voor de gezellig­heid.

In de loop der jaren leerde Ada de bezoekers kennen en heeft ze een band met hen gekregen. Ze merkt nu direct bij binnenkomst hoe de sfeer is. Het valt haar tegenwoordig gelijk op wanneer er iets aan de hand is met een bezoeker of wanneer er iemand mist in de groep.

Ze heeft steeds regelmatiger een gesprek met één van de bezoe­kers. Die gesprek­ken kunnen over heel uiteenlopende zaken gaan, zoals een 50-jarig huwelijk of eenzaam­heid. Maar ze heeft ook wel gesprek­ken gehad over het levens­einde. Dat was met een levenslusti­ge man, die altijd heel positief en  intensief meedeed, maar bij wie plotseling kanker werd gecon­sta­teerd. Daar wilde hij graag met haar over praten. Ja gast­vrouw zijn is niet alleen gezellig en leuk werk. Er zitten ook sociale kanten aan deze vorm van vrijwilligers­werk. Maar, Ada vindt deze moeilijker taken in haar vrijwilligers­werk juist een uitda­ging.

1.10 Gastheer/-vrouw in een zieken­huis

Gastheer zijn in een ziekenhuis is heel ander werk, dan de gelijkluidende taak in een dien­stencentrum. Dagelijks zijn het andere mensen die, vaak wat onzeker en soms ook angstig, het ziekenhuis binnenkomen. Ze weten de weg niet. Sommi­gen moeten naar de polikliniek voor een kort onder­zoek. Anderen worden juist voor enkele dagen of soms voor langere tijd opgeno­men. Eén ding hebben al die patiënten gemeen, ze zijn onwen­nig, vaak onzeker en weten meestal niet wat hen precies te wachten staat. Je leert deze mensen meestal niet echt kennen. Maar het is wel de taak van de gastheer hen snel op hun gemak te stellen en de weg te wijzen.

Patiënten die opgenomen worden, moeten een formu­lier invullen waarbij ze vaak hulp vragen. Door de zenuwen begrij­pen heel veel mensen niet precies wat er van hen gevraagd wordt. De gast­vrouw is voor hen op dat moment een hulp en toever­laat. Ook al ken je de mensen niet wanneer ze het zieken­huis binnen­komen, als gastvrouw krijg je nogal het één en ander van hen te horen. Veel mensen die voor een operatie staan, zijn heel familiair en open. Ze vertellen soms hun hele ‘hebben en houwen’. Je moet dus goed kunnen luisteren en niet gek opkijken van hun verhalen en soms ook bekentenis­sen. Die kunnen variëren van ergernissen uit de familie, tot ideeën over het sterven. Er zijn ook mensen die er ineens achter komen, dat ze eigenlijk nooit meer iets met hun geloof hebben gedaan. Die krijgen ineens spijt.

Het betekent nogal wat om gastheer te zijn in een ziekenhuis. Je hebt er mensen­ken­nis voor nodig en moet kunnen omgaan met mensen van allerlei geloof, rang en stand. Heel opmerkelijk is het, dat ‘mensen van aanzien’ in een ziekenhuis niet anders zijn dan de gewone door­snee man of vrouw. In het begin is dat wel even wen­nen, je hebt er zo’n ander idee van.

Het werk is boeiend, waardevol, maar ook nogal eens vermoei­end. In dit zieken­huis is in de loop der jaren een aardige biblio­theek opge­bouwd. Gastvrouwen gaan met de mobiele biblio­wagen bij de patiënten langs. Daar ontstaan regelma­tig gesprek­ken over allerlei onderwerpen. Het komt voor dat een patiënt een speciaal boek wil lezen dat bij een andere bibliotheek moet worden opgehaald. Het hoort er alle­maal bij.

Weke­lijks is er een kerkdienst, waarin dominees en pastores voor­gaan. Er zijn nogal wat patiënten die zo’n dienst willen bijwonen. Bij ons in het zieken­huis heeft de gastvrouw daarin een taak. Soms moeten er daarom patiënten naar de kerkzaal gebracht worden. Maar het bete­kent wel een extra last en niet iedereen kan dat doen. Na een dienst wil de patiënt vaak doorpra­ten over wat de voor­gan­ger heeft gezegd, of soms ook napraten over een lied of gebed. Het is daarom heel belang­rijk patiënten te kunnen begrijpen en in hun waarde te laten.

Gastvrouw of -heer kun je worden via de Unie van Vrijwilligers, maar soms ook rechtstreeks via het ziekenhuis. Het is een belangrijke sociale taak.

1.11 Dagop­vang

In veel verzorgingshuizen is er tegenwoordig een dagop­vang. Ouderen, die normaal gesproken thuis wonen, worden daar één of meer­dere dagdelen per week opgevan­gen in een groep. De dagopvang is opge­zet in het kader van flankerend beleid en zorgt voor wat afwisseling in het bestaan van de thuiswo­nende oudere die veel hulp nodig heeft. Het is ook een uitkomst voor de echtge­noot of een ander, die dag en nacht, zomer en winter, klaar moet staan om zorg te geven.

Dagelijks is er een gevarieerd programma. Dat programma wordt samen­ge­steld door de aanwezige beroepskracht en de vrijwilli­gers, meestal in overleg met de bezoe­kers. Voor de vrijwilligers komt er heel wat kijken. Jan van Santen (67) regelt, waar nodig, het vervoer. Verder verzorgt hij alle sociaal culturele onder­delen. Hij heeft een verzoekpla­tenpro­gramma, waarvoor alle inwoners van het verzorgings­huis, maar ook de bezoekers van de dagop­vang liederen kunnen opgeven. Even­eens organiseert de heer Van Santen regel­ma­tig een quiz, waaraan velen meedoen. Miep Boogaard (72) verzorgt de koffie en thee. Zij maakt met velen een praatje en helpt soms mensen op het toilet. Johan Ver­mijs, vutter en 61 jaar jong, verleent hand en span­diensten tijdens het hele program­ma. Als het nodig is haalt en brengt hij bezoekers met zijn auto.

Soms worden er groepsspelen gedaan, onlangs is er een cursus geheu­gentrai­ning gegeven. Sommige bezoekers krijgen hulp bij het trainen van de alge­meen dagelijkse lichaamsfuncties. Dit laatste gebeurt in overleg met de Stichting Thuiszorg. Eén keer in de week komt er een logope­dist. Deze doet oefeningen, soms in groepjes, soms met mensen alleen. Een andere middag is er een soort bezigheids­therapie waarbij ook bewoners van het verzor­gings­huis welkom zijn. Er wordt gete­kend, geknutseld, gehandwerkt en gemacra­meed. Zogezegd, voor elk wat wils. Op deze middagen zijn er meerdere vrijwilli­gers nodig, die elk een onderdeel voor hun rekening nemen. De eindverant­woorde­lijkheid ligt vaak in handen van de bezigheids­the­rapeut of een ander personeelslid.

Tussen de middag kunnen de bezoekers een warme maaltijd gebrui­ken. Sinds kort is deze gezamenlijke maaltijd ook toegankelijk voor wijkbe­wo­ners en bewoners van het huis. Voor hen is dit de ‘Openta­fel’-voorzie­ning. Hiervoor wordt hulp ingeroepen van een andere groep vrijwilligers, zodat de taken wat gescheiden zijn. De vrijwilli­gers van de dagop­vang kunnen zelf thuis eten, als ze dat willen.

Dagopvang is niet alleen noodzakelijk voor hen die er gebruik van moeten maken en hun mantelzorgers. Ook voor vrijwilligers is het een geva­rieerde, verantwoor­delijke, goede en zinvolle tijdsbesteding.

1.12 De buddy

Het is afschuwelijk wanneer je, soms al op jonge leeftijd, weet dat je snel kunt gaan sterven. En tegenwoordig zijn er heel wat mensen, ook in ons land, die hiermee geconfronteerd worden. Over de hele wereld  lijden er zo’n 20.000.000 mensen aan AIDS…., ja je zult het maar hebben. Je kunt het krijgen door een bepaal­de levenshou­ding, door een ongeluk met een besmet­te naald en sommi­gen worden al seropositief geboren.

Hoe je ook denkt over het ontstaan van aids, degenen die eraan lijden hebben hulp en aandacht nodig. Daarvoor zijn vele vrijwilligers nodig, zowel ouderen als jongeren. En juist die ouderen, met hun levenswijs­heid, kunnen heel goed hulp bieden aan aids-patiënten. Buddy is juist een prachtige taak voor hen. Een metgezel die op geregelde en ongere­gelde tijden de ander bijstaat. Soms gewoon door er te zijn. Soms om samen een gesprek te hebben. Soms om de arm om de ander heen te slaan. Maar ook gewoon voor een boodschapje of wat huishoude­lijk werk. Nee een buddy hoeft niet jong te zijn. Een buddy moet er gewoon zijn, voor die ander. Om te lachen, te bidden, te luisteren en te praten met en tot die ander.

Kijk eens rond in de eigen buurt of gemeente. Kijk eens waar er opvang­centra zijn. Vraag eens na bij het Kruiswerk of een hospicehuis of ze geen vrijwilligers nodig hebben. Vrijwilligers die zich vanuit hun hart willen inzetten voor die ander.

U zult zien, dat er vast meer hulp nodig is dan we geneigd zijn te denken. En ieder heeft vast ook wel wat vrije tijd over om zich in te zetten voor die ander.

Buddy, een vrijwilligerstaak, waaraan nog te weinig ouderen hebben gedacht.

Chauffeurbegeleider

“Het spreekt je nog meer aan, wanneer je het zelf hebt meegemaakt. Je doet dit werk dan vanuit je hart”, vertelt Jaap Vermeulen (52). “Zelf heb ik een tijdlang in een rolstoel gezeten, na een heel lange zieken­huisop­name. Ik heb in die periode van mijn leven heel wat ellende gezien. Mensen die daar maar lagen, soms met geamputeerde benen. Het was triest. In het begin werd ik nog wel eens boos, als ze maar de hele dag lagen te mopperen en zeuren. Maar toen ik gerevalideerd werd en steeds beter kon lopen, begreep ik, dat sommige patiënten dit nooit meer zouden kunnen. Toen pas begreep ik wat zij door moesten maken. Bij mij was er vanaf het begin een grote kans op genezing. Mijn  tijd was te overzien, ook al had ik het moeilijk, maar zij moes­ten hun leven verder in een rolstoel, vaak afhankelijk van een ander. Toen en daar heb ik besloten om in mijn vrije tijd wat voor deze groep mensen te gaan doen. Hoewel ik al jaren in deze stad woon was ik nog nooit in het dichtbij gelegen ver­pleeghuis geweest. Ik zag er altijd wat tegenop om daar naar binnen te gaan. Maar nadat ik uit het ziekenhuis ontslagen was ben ik er heenge­gaan. Ik zat nog midden in de revalidatie, maar moest er over spreken. Aan de algemeen direc­teur heb ik uitge­legd wat er in mijn leven was gebeurd en wat ik wilde. In dit gesprek bleek dat er vanuit het verpleeg­huis regelmatig bewoners met een rolstoel­bus ver­voerd werden. De chauffeurbegeleiders waren vrijwilligers, die bij toerbeurt deze taak waarna­men. De directeur heeft mijn naam en adres opgeschreven. Zodra ik weer volledig hersteld zou zijn, kon ik contact met hem opnemen. In de periode tussen dit gesprek en mijn herstel ben ik regelmatig naar het verpleeghuis gegaan en heb er al heel wat mensen leren kennen. Later ben ik ingeschre­ven als vrijwilliger, aanvankelijk als inval­kracht. Maar momenteel draai ik regelmatig mee als vaste chauffeurbegeleider. Het is heerlijk, om mensen die echt hulp nodig hebben regelmatig te kunnen verwennen. Met de dag wordt ik er dankbaarder voor, dat ik weer hersteld ben en dit voor anderen kan doen.

1.13 Dierenambulance

“Wanneer je van dieren houdt, is het leuk om vrijwilligerswerk te zoeken in de dierentuin, bij een dierenarts, op een kinderboerderij, of op de dierenam­bulan­ce. Dat is een soort ziekenwa­gen voor dieren, die al in een aantal grotere plaatsen in ons land rijden. De dierenbroeders/-zusters geven bij toerbeurt de eerste hulp bij dierenongevallen. Het werk is zeer gevarieerd. Een dieren­am­bulance kan worden opgeroe­pen, wanneer er een zwerfhond is aangereden. Ook moet de dieren­am­bu­lance uitrukken, wanneer er een huisdier is gestorven. Maar het komt ook voor dat je wordt gebeld, wanneer een dier iets verkeerds heeft gegeten, niet meer wil eten of ineens raar gaat liggen kronke­len. Je kunt de gekste dingen tegenkomen. In onze ambulance hebben we een aangere­den zwaan gehad. Maar ook een kraai waarvan een pootje miste. We werden een keer opgeroepen, omdat de hond uit het raam was geval­len. Ja, ze kunnen je voor van alles bellen.

Naast de liefde voor dieren, moet je bij dit werk ook oog hebben voor de mens achter het dier. Er is vaak veel verdriet. Je moet dan ook regelma­tig mensen troosten. Het gebeurt nogal eens, dat je tegelijker­tijd een dier moet verzor­gen en de huilende familie moet opbeuren. Je hebt een groot luiste­rend oor nodig, maar ook geduld. Vele malen vertellen de mensen het hele levensver­haal van hun huisdier. Wat sommige dieren toch hebben meege­maakt, het is soms onvoorstel­baar. We hadden eens een papegaai die al voor de vierde keer enorm zat te schokken en van zijn stokje viel, het arme dier, het leek wel of hij epilepsie had. De mensen moeten het kwijt, ze willen er over vertel­len. Wat de laatste tijd vaker voorkomt, is dat mensen hun huisdier willen laten begra­ven. Er komen steeds meer speciale begrafe­nison­der­nemers voor dieren. Ook zijn er prachtig aangelegde begraafplaat­sen. Op de dieren­am­bulance kom je van alles tegen, het is mooi, leuk en gevarieerd werk. Er zouden op meerdere plaatsen in Nederland dierenambu­lances moeten rijden”, aldus Rik Smouters (62).

1.14 Vrijwilligerswerk onder asielzoekers

Het is afschuwelijk wanneer je, om wat voor reden dan ook je vader­land moet verlaten en je in een wildvreemd land moet vestigen. Dit overkomt vluchtelingen en asielzoe­kers. In vrijwel iedere gemeente is er daarom een werkgroep asielzoe­kers opgericht. Dat moet ook wel, want gemeenten hebben een verplichting asielzoe­kers op te nemen. In zo’n werkgroep zitten veel vrijwilli­gers, die allerlei taken op zich nemen om het leven van de asielzoekers te veraangena­men, ze wegwijs te maken in de nieuwe omgeving, maar ook in de cultuur, taal en bepaalde gebrui­ken en technie­ken. Via de Regeling Opvang Asielzoekers (ROA), een regeling die regelmatig wordt aange­past, wordt er veel werk verricht. De vrijwilligers komen via de ge­meente in aanraking met de asielzoe­kers. Ieder heeft zo zijn/haar specialis­me. In de werkgroep asielzoe­kers zijn er daarom vaak diverse commissies werkzaam op gebieden als scholing, juridische zaken of de inrich­ting van het huis. Vrijwilligers kunnen dus binnen heel diverse taken hun werkzaamhe­den doen, al naar gelang hun interesse en/of kennis.

Bep van Gesteren (60), één van de vrijwilligers heeft jaren geleden vluchte­lin­gen uit Vietnam geholpen. Na een verhuizing, trad ze toe tot de plaatselij­ke werk­groep asielzoe­kers. Momen­teel geeft ze naailes in een schoolge­bouw. Op deze manier leren de vluchtelingen om te gaan met westerse apparatuur. Maar leren ook de weg kennen op de markt, waar ze voor weinig geld de mooiste stoffen kunnen kopen. Het mes snijdt zo aan twee kanten. De asielzoe­kers leren Neder­land(s) kennen en kunnen met weinig middelen zichzelf en de hele familie kleden. Het gaat in dit geval om moslimvrouwen. “Je merkt daarbij wel degelijk cultuurver­schillen. Wanneer er een nieuw kledingstuk gepast moet worden, gaat dit op een omslachtig manier. In een goed te sluiten, zelf gemaakte, omkleedca­bine verkleden de dames zich. Ook de sluiers mogen bijna nooit af, al is het nog zo warm. Alleen in de beslo­tenheid van het lokaal, met de gordijnen en deuren dicht, wordt de sluier nog wel eens afgedaan. De conversatie gaat in het begin vooral met gebaren, wat woord­jes Engels en/of Frans, maar we komen er wel uit.”

Een ander, Nel de Vries (53), helpt de asielzoekers bij het leren begrijpen van allerlei Nederlandse begrippen. Ze was vroeger onder­wijzeres en geeft nu privé-les aan vrouwen en kinderen. Via een advertentie in een plaatselijke krant kwam ze op het idee zich op dit terrein te gaan inzetten. Haar werk doet ze gewoon thuis. Steeds met één persoon tegelijk, zodat er een goede band ontstaat.  “Je moet vooral veel geduld hebben. Wanneer je bijvoorbeeld moet uitleg­gen wat een maand is, dus geen maan maar een tijdseen­heid, is dit niet gemakke­lijk. Je besteedt daar veel tijd aan. Wanneer de band met elkaar beter wordt, praat je ook makkelijker over de politieke en religieuze achter­gronden. Ik vindt het belangrijk en horizontverbredend werk.”

Jannie te Kleij (59) heeft zitting in een juridische commissie. “Het is mooi en heel afwisselend werk en je leert er veel van. Ik begeleid mensen naar een advocaat en zoek dingen voor hen uit. Ook begeleidt ze de mensen naar de rechtszaal als dat nodig is. Dit werk kan je niet zomaar doen. Ikzelf heb een oplei­ding als maat­schappelijk werker gevolgd. Momenteel volg ik regelmatig speciale cursussen, georganiseerd door de vluchtelingen­werkgroep in onze gemeente, erg leerzaam en nuttig om op de hoogte te blijven van de nieuwste regelingen.”

Het inrichten van een huis is geen kleinigheid, vertelt Ans Gevers (48). Zij vangt mensen op die zich in de stad mogen vestigen. Deze mensen hebben al een hele procedure doorlopen en een verblijfsver­gun­ning gekregen. Zij haalt de vluchte­lingen van het station en begeleidt hen naar het gemeentehuis, waar ze worden ingeschreven. Vervolgens gaat zij mee naar de bank, waar een rekening wordt geopend. Tot slot helpt zij bij het inrichten van een woning. “Door de band die er ontstaat, gaan de mensen je veel vertellen. Je loopt zo nogal eens tegen psychi­sche proble­men op. Logisch. Stel het je jezelf eens voor, ontheemd te zijn. Als vrijwilli­ger probeer je dit zo goed mogelijk op te vangen. Gelukkig, we krijgen hier onder­steuning en er zijn scholings­mogelijk­heden voor vrijwilli­gers.”

1.15 Het verzorgingshuis

“De gemiddelde leeftijd in de meeste verzorgingshuizen ligt tegenwoordig ruim boven de 80 jaar. Hier in Rotterdam ken ik een huis, waar zeventig van de 155 inwoners boven de 90 zijn. Al die mensen hebben recht op een goede verzor­ging, iedere dag weer. Maar ook gezelligheid, ontspanning en hobby’s dienen volop de aandacht te krijgen.

Uit onderzoek is gebleken dat het heel belangrijk is dat bewoners zoveel mogelijk zelf actief blijven. Maar gezien de huidige leef­tijdsop­bouw in de verzorgingshuizen, is het logisch dat de meesten veel zorg en hulp nodig hebben. Dit betekent, dat er zowel voor personeel, maar ook voor vrijwilli­gers heel veel taken liggen in een verzorgingshuis.

Vrijwilli­gers kunnen niet alleen uitvoerende- maar ook bestuurlijke taken in een verzorgingshuis op zich nemen”, aldus David Scheaffer (71). Hijzelf is al ruim 30 jaar bestuurs­lid van een aantal verzorgingshuizen in zijn woonplaats Rotterdam.

“Het bestuur dient ondermeer voorwaarden te scheppen, waardoor een goed leefklimaat in huis wordt gewaarborgd zodat bewoners zich thuis voe­len. Eén van die voorwaarden is dat er taken gedaan kunnen worden door vrijwilli­gers. De werk­druk van het verzorgend- en verplegend personeel is de laatste jaren nogal toegenomen. Toch hebben bewoners behoefte aan warmte, sociaal contact en aandacht. Om zo goed mogelijk te kunnen blijven inspelen op de wensen en behoeften van de bewoners en het behoud van een juiste taakverde­ling tussen professionele krachten en vrijwilli­gers, wordt er regelmatig overleg gepleegd met de bewo­nerscommissie, perso­neels- en vrijwilligervertegenwoordiging.

In het verleden werden er natuurlijk ook al vrijwilligerstaken gedaan in dit soort huizen, maar in overleg met bewoners, directie en personeel zijn er de laatste jaren nogal wat nieuwe taken voor hen bijgekomen. De taak van gastheer,-vrouw is al langer bekend en bestaat voornamelijk uit het helpen tijdens gezellige middagen en avonden. Ook voor de begeleiding van de bewoners wordt vaak een beroep gedaan op vrijwilligers. Mensen die slecht ter been zijn, worden door hen begeleid naar de recreatiezaal, de kapel of ook wel naar het ziekenhuis.

Regelmatig moeten er medicijnen worden opgehaald, boodschappen gedaan en boeken geleend, veelal gebeurt dat ook door vrijwilligers. In de afgelopen decennia zijn er allerlei creativiteitsgroe­pen ontstaan. Vaak is er een activiteitenbegeleider in dienst die de leiding heeft. Door het hoge verzor­gings­niveau, en de vaak grote groepen, kan deze die taak echter niet alleen af. Daarom zijn er in de loop der tijd teams ontstaan, waarin beroeps­kracht en vrijwilligers samenwerken.

Naast de begeleiding van recreatieve activiteiten zijn er nog heel wat andere taken die vrijwilligers uitvoeren. Sommigen komen dagelijks de krant voorlezen bij slechtzienden. Anderen runnen de biblio­theek.

Heel belangrijk bij deze ontwikkeling is de relatie tussen beroepskrachten en vrijwilligers. Ons bestuur vecht voor het behoud van goede professionele zorg. De zorg-, hulp- en dienstverlening aan de bewoners dient ook in de toekomst op een hoog peil te blijven. Maar de inzet van vrijwilligers is daarbij niet meer weg te denken. En wanneer je als bewoners, personeel, directie en bestuur voor saamhorigheid en een positieve leefomgeving kiest, dan dienen de professione­le- en vrijwilligerstaken elkaar aan te vullen. Het verzorgingshuis wordt daar­door niet alleen een herken­baar gebouw in de wijk, het wordt meer en meer een wijkcentrum, waarin bewoners, wijkbewo­ners, mede­werkers en vrijwilli­gers met elkaar allerlei mooie dingen doen. Zeker nu het verzor­gingshuis steeds meer wijkgerichte taken op zich neemt, merk je dat het verzor­gings­huis uit een soort isolement komt. Het huis krijgt een andere plaats in denk- en spreek­wereld van jongeren en ouderen. Dat is een positieve ontwik­keling die ook uitermate gunstig is voor de bewoners.

Er zijn vrijwilligers die meewerken aan de tokoverkoop. Dat is een soort winkeltje waar bewoners en bezoekers op bepaalde tijden boodschap­jes kunnen doen. Uit de opbrengsten hiervan worden extra voorzieningen getroffen. Op die manier is er in ons huis een eigen studio ingericht. Er worden nu eigen radio­program­ma’s uitgezonden, waarbij bewoners worden betrokken. Zij kunnen verzoekplaten aanvragen, maar ook optreden met een eigen muziekin­strument. Sinds kort hebben we het programma: “…… vertelt”. Door middel van een inter­view kunnen bewoners daarin bepaalde gebeurte­nissen uit hun leven vertellen. De meesten hebben heel wat meegemaakt en kunnen veel vertellen. Jaarlijks rondom bevrijdingsdag zenden we het aangepaste programma: “…… vertelt belevenissen uit de oorlog” uit. Het hele huis zit dan aan de radio gekluisterd en het levert enorm veel reacties op. Maar bewoners mogen ook zelf een gedeelte van een program­ma vaststellen, bijvoorbeeld op hun verjaardag. Onlangs was de “diskjockey”, een vrouw van 92, heel leuk.

Een nieuwe ontwikkeling in ons huis is de kindercrêche. Er is een ruimte inge­richt, waar niet alleen de kinderen van medewerkers, maar ook andere kinderen worden opgevangen. De ruimte sluit aan op de groepsverzorging en de kinderen en bewoners komen op deze manier met elkaar in contact. Het werkt heel positief. Al met al proberen we op deze manier, samen met bewoners, perso­neel, directie en bestuur een leefbare samenleving te maken in dit verzorgings­huis. Een samenleving waarin de bewoners zich in hun laatste levensjaren gelukkig voelen.”

Hoofdstuk 2: VRIJWILLIGERSWERK IN DE KERK

In de kerk is heel veel werk te doen. Eigenlijk kunnen alle leden van de gemeen­te meehelpen. Ieder heeft eigen gaven van God gekre­gen en die mogen gebruikt worden. Niet zozeer uit verplich­ting, maar om iets voor de ander te betekenen.

2.1 Diaconaal werk

“Vrijwilligerswerk in de kerk is voor mij net iets meer, dan vrijwilli­gers­werk op een ander plekje”, vindt Klaas van Boven (54). “Met mensen werken, die een ­zelfde geloofs­beleving hebben en waar­mee je ook gewoon eens kunt bidden, dat vind ik het mooist. Niet dat ik geen andere vormen van vrijwilli­gerswerk doe, maar toch…

Eigenlijk begon het al toen ik nog kind was. Bij ons thuis was het altijd een drukte van belang. We hadden vijf kinderen. Mijn moeder deed vrijwilligers­werk in een bejaarden­huis en vader leidde de man­nenver­eni­ging, zat in het schoolbe­stuur en was ook nog eens diaken. Hoewel mijn moeder probeer­de zoveel mogelijk thuis te zijn, kwam het toch nogal eens voor, dat wij als kin­deren alleen waren. Ik heb me toen al voorge­nomen om, als ikzelf kinderen zou hebben, dat ik dan vaker voor hen thuis wilde zijn, dan mijn vader.

Zondags gingen we altijd naar de kerk. Aanvan­kelijk zei me dat niet zoveel. Maar later begreep ik dat de doop, die ik als baby kreeg, een roep van God was. Ik merkte dat er veel mensen in de kerk zaten, voor wie dat wat minder speelde. Geloven, hoorde er nu eenmaal bij. Ik nam mij voor, niet alleen in de opvoe­ding van mijn kinde­ren maar ook naar anderen toe open over het geloof te zijn. Daarom heb ik me opgegeven voor diaconaal werk.

In onze kerk hebben we een diaconaal-comité. Daarin zitten een aantal man­nen en vrouwen, die in de gemeente werken. Dat werk kan erg vari­ren. Ieder heeft een eigen wijkje, dat gekop­peld is aan een diaken. Regel­matig is er overleg, waar besproken wordt wie er in de gemeente een extra bezoekje moet krijgen. Soms is dat bij oudere ge­meentele­den. Een andere keer worden gezin­nen bezocht, gaan we op zie­kenbe­zoek of vieren we een feest mee. Het gaat erom dat er met elkaar wordt meege­leefd. Dat we met elkaar een hech­te ge­meen­schap vormen, waarin we op elkaar kunnen vertrou­wen en er voor elkaar zijn. Zulk werk spreekt mij erg aan. En ik heb erva­ren, dat het ook voor kerkmensen heel be­langrijk is. Er is iets dat je bindt en dat kan groei­en. Samen spreken over het leven, het geloof, de moeiten, zorgen en vreugden. Samen zoe­ken naar een goede manier om je Schep­per te dienen. Iets voor elkaar betekenen en er ook met elkaar voor kunnen danken. Ja, dat vind ik prach­tig. Maar, zoals gezegd, we doen ook hele prak­tische dingen hoor…. En we doen het niet alleen. Er komt steeds meer meeleven in onze kerk. En wat ik heel belangrijk vind, is dat ik mijn tijd zelf kan inde­len. Zo hebben de kinderen ook veel aan me.”

2.2 Organist

Niet iedereen kan kerkorganist zijn. Want begeleiden van de ge­meen­te­zang, is verantwoordelijk werk, aldus Marian Heltzel (64). Ze is ruim zeven jaar kerkor­ga­nist. Diverse keren is ze ervoor gevraagd, maar durfde de uitdaging niet aan. Achteraf gezien had ze het best gekund, maar…­..had het lef niet. Op 49 jarige leeftijd heeft Marian weer orgelles geno­men. Toch heeft het nog heel wat jaren geduurd, voordat ze de eerste psalm in de kerk bege­leidde. Dat was acht jaar geleden op vakan­tie in Italië. Zondags bezocht ze een kleine baptis­ten­ge­meen­te.­ Er waren zo’n 35 mensen aanwezig. Eén van de plaatse­lijke gemeen­teleden ging voor in de ere­dienst. Een dominee was er niet en achter het orgel zat een jonge knul, die heel goed zijn best deed. Ook al speelde hij niet echt fantas­tisch op het onzuivere oude harmoni­um, de aanwezigen zongen uit volle overga­ve mee. Ze deden het stuk voor stuk met hun hele hart. Toen is er iets veran­derd in Marian. Het draait er niet om of jij het zelf goed doet. Het gaat om de eer van God. Een week later is zij weer naar die ge­meente gegaan en heeft met een aantal ge­meente­le­den gespro­ken en ook zelf ge­speeld. Het ging heel onge­dwon­gen en de aanwe­zigen zongen spontaan mee.

Na de vakantie duurde het niet lang of Marian begeleidde voor het eerst de gemeen­te­zang. Nu, acht jaar later, heeft ze zelfs wensen. De dominee bereidt zijn preken altijd goed voor. Dat is nodig. Maar de organist hoort vaak pas heel kort voor de eredienst wat er gespeeld moet worden en hoe de dienst in elkaar zit. Dat is niet goed. Orga­nis­ten moeten eigenlijk ook een paar dagen voorberei­dingstijd heb­ben. Want hoe beter zij spelen en hoe beter hun muziek is afge­stemd op de eredienst, hoe mooier de dienst voor de kerkgangers wordt. Daarover gaat ze binnen­kort praten met de domi­nee. Ook vindt ze het vergoe­dingen systeem slecht gere­geld. Voor een heel jaar wekelijkse begelei­ding van de kerkdiensten, krijgt ze een ‘vergoe­ding’ van ¦ 50,-. Maar daarvan moeten de organis­ten zelf hun muziek­boeken kopen. Het is prach­tig vrijwilli­gerswerk, maar er moet vaak nog heel wat verande­ren voor de organis­ten.”

2.3 Vereni­gings­werk

In kerken heb je bijbel­clubs, jeugdver­enigingen, bijbelstudievereni­gingen, jeugd­clubs, noem maar op. Voor vrijwilligers is er veel werk te doen. Trudie Pralin (53) leidt al jarenlang een jeugdvereni­ging van jongelui tussen de vijftien en zeventien jaar.

Ze is dit werk gaan doen, omdat ze ervoor gevraagd is. Ze doet het al zo’n jaar of 30 en vindt het nog steeds prachtig werk. Samen met de jeugd de Bijbel lezen en bespre­ken. Samen zoeken naar datge­ne wat God ons heeft verteld in de Bijbel. Zeker nu ze wat ouder wordt, vindt ze het nog fijner om te doen. Er is een heel openhar­tige sfeer op de vereni­ging. Er komt van alles aan de orde. Door vragen te stellen kan ze nog wel eens wat bijsturen. Haar betrok­kenheid is groot er moeten vonken over en weer schieten. Wanneer dat ophoudt, moet je stoppen. En zover is het nog lang niet, althans wat haar betreft.

Ze was nog jong, zo’n jaar of 23, toen ze voor het eerst gevraagd werd een jongerenver­eniging te leiden. Ook al was ze jong, ze leefde mee in de kerk, was vrijgezel en had er zin in. Het klikte goed met de jeugd. Daarom is ze het blijven doen. Samen met de kinderen praten we erover, wat het chris­ten-zijn voor ons als jongeren en ouderen betekent. Ook zij leert wekelijks van de jonge­ren. Om beurten moeten de leden een bijeenkomst voorzit­ten. Maar ze moeten ook bidden en bijbelle­zen. Trudie is er van overtuigd op deze manier een beschei­den bijdrage te leveren aan de gemeente­op­bouw. Tot voor kort ging ze ook mee met het zomer­kamp. Dat was echt gezellig en je leert elkaar op een heel andere manier kennen en dat vormt een hechte band. Alleen de nachten waren erg kort en daar kon ze niet goed tegen. Dus vorig seizoen is Trudie voor het laatst mee geweest. Het vereni­gings­werk hoopt ze echter nog heel lang te kunnen doen.

2.4 Werkgroep voorbereiding ere­diensten

“Voor mij staat het vast, dat een vrouw veel taken in de kerk kan doen. Zelf heb ik zitting in het diaconaal comité en bezoek veel ge­meentele­den, zowel jongeren als ouderen. Ik ben ook de motor ge­weest achter de oprichting van de ‘werk­groep voorbe­rei­ding ere­dien­sten‘, een nieuwe vorm van vrijwilligers­werk in onze kerk. En zoals bekend, komen vernieu­wingen in de kerk er niet zonder slag of stoot. Je houdt daar dan ook rekening mee. Daarom heb ik eerst een brief aan de dominee geschre­ven. Vervolgens zijn er enkele ge­sprekken met hem en de ambtsdragers gehouden. Na deze gesprekken schreef ik een stukje in het plaat­selijk kerk­blad, waaraan ik een vra­gen­lijstje toe­voegde. Er kwamen zowel negatie­ve, als positieve reacties op. De ant­woorden ­werkte ik uit en heb ze aan de kerkleiding ge­stuurd. Daarna is het onderwerp op een ge­meente­ver­ga­dering bespro­ken, waar een werk­groepje is samenge­steld, dat één kerk­dienst mocht voorbe­rei­den. De keus viel op de ochtend­dienst van eerste kerst­dag, een woens­dag. In dit werkgroepje zaten naast mijzelf (58 jaar) nog een vrouw van 28 en twee mannen van respectie­velijk 32 en 62 jaar. Aan de groep werd de domi­nee toegevoegd. Aller­eerst maakten we een aantal vergader­af­spraken en een sche­ma om een harmo­nieuze en goed overwogen ere­dienst samen te stellen. We werden zo enthou­si­ast, dat we via een oproep in het kerkblad gemeente­leden oprie­pen, de samen­zang nog mooier te maken door extra muziekinstru­menten in te zetten. Ook hebben we de orde van dienst een beetje aangepast. Aanvankelijk hadden we het plan, meer ge­meen­tele­den actief bij de dienst te betrek­ken, bijvoor­beeld voor de Schriftlezingen en een gebed. Uitein­de­lijk hebben we dit toch niet doorge­zet. Het leek ons toch beter de verande­ringen in een rustig tempo te laten verlopen. Alle goede vernieu­wingen komen langzaam en er is veel overleg voor nodig.

Het is een prachtige kerst­dienst geworden. De dominee vond het een positie­ve ervaring, samen met ons de liturgie voor te bereiden. Wij gaven duidelijk aan hoe wij over de gekozen tekst dachten en de domi­nee schreef de preek. In het eind resultaat herken­den we onze voorge­sprek­ken.

We hebben heerlijk gezongen met elkaar. Er speelden drie gemeen­tele­den trompet. Zij begeleidden het “Ere zij God”. Er waren ook kinderen met een fluit. Zij ­speelden tijdens de beurtzang. De jongelui tot vijftien jaar werden begeleid door de fluiten. De vrouwen zongen bij het orgel en de mannen bij de trompet­ten. Het was een mooie dienst.

Er ontbraken geen gemeenteleden die eerste kerstdag. Verreweg de meeste reacties waren zo positief, dat besloten is de ‘werkgroep voorbe­reiding ere­dienst‘ in te stellen.

Voorlopig bereiden we zes erediensten per jaar voor. Het is prachtig werk, in een ­gevarieerde groep. Je leert veel van elkaar, maar ook over de manier van preken maken. Je raakt dicht betrokken bij het werk van de dominee en het verdiept je geloof. Ik vind dat heer­lijk…”

2.5 Correspondent

Jan Wiekens, 63 jaar jong, was in zijn werkzame leven arbeidsconsu­lent bij het ministerie van Sociale Zaken. Drie jaar geleden verruilt hij de betaalde arbeid voor de VUT. Wanneer hij anderhalf jaar in de VUT is, krijgt hij een brochure van de Elisabethbode in de brieven­bus.

Dit brengt Jan op een idee. Hij schroomt niet. Pakt de telefoon en belt naar het aangegeven telefoonnummer met de vraag of de EB ook vrijwilli­gers nodig heeft. Jan kent het blad vanuit zijn jeugd. Vroeger las zijn moeder het blad al en in de loop der jaren is hij het zelf ook gaan lezen.

Een kort telefoongesprek en enige tijd later is Jan vrijwillig corres­pondent met een groot en omvangrijk werkgebied. Zijn taak is het geven van lezin­gen, voorlich­ting en adviezen aan jong en oud.

Tegenwoordig wordt hij regelmatig uitgenodigd door allerlei vereni­gingen en organisaties. Daar spreekt Jan over zijn vrijwilli­gerswerk en de EB. Naast de lezingen maakt hij gebruik van videofilms die een evangeliserend karakter hebben. “Je werkt nu eenmaal vanuit een persoonlijke overtuiging”, aldus Jan.

Naast de hierboven genoemde uitnodigingen, krijgt hij ze ook van evangeli­sa­tiecommissies die de EB willen gaan rondbren­gen. Hij geeft deze commis­sies ondersteu­ning bij het opzetten van bezorg­netwerken. “De praktijk heeft geleerd, dat één bezorger niet meer dan 25 bladen moet rond­brengen. Het werk blijft daardoor leuk en overzichtelijk voor iedereen. Hoe kleiner de wijken, hoe meer mensen er bij dit fantasti­sche werk betrok­ken worden en hoe groter de moge­lijk­heden om eens aan te bellen voor een gesprekje.” Iedere maand ver­schijnen er zo’n 720.000 Elisa­bethbodes en rondom christe­lijke feestdagen zijn het er boven de miljoen. Er is dus nog heel wat werk te doen en eigenlijk is het wenselijk dat het viertal correspondenten wordt uitgebreid tot tenminste één per provincie.

Sinds kort werken de PR-medewerker samen met Jan en de andere vrijwillige corresponden­ten aan de uitbrei­ding van de netwerken en het aantal vrijwilli­ge corres­ponden­ten. De vrijwilligers krijgen een onkostenvergoeding, maar werken vooral vanuit hun ideaal en ge­loofsovertuiging.

2.6 ‘Dient elkaar door liefde’

“Zo’n 20 jaar van mijn leven heb ik in de kerkenraad gezeten. Er zat tussen mijn ambtsperiodes meestal maar een jaar. Iedere periode duurde 4 jaar, dus je kunt wel nagaan. Ik ben nu 59 en werd op mijn 30-ste voor het eerst ouder­ling. Heel wat jaren met veel extra werk. Jaren waarin ik me moest inzetten voor de kerk en de kerkle­den. Wekelijks bracht ik huisbe­zoeken. Twee keer per maand was er een kerkenraadsvergadering. Zaterdags be­zocht ik een enkele keer een confe­ren­tie of deed mee aan een cursus voor ambts­dragers. En in perio­den van kerkelijke span­ning of bij veranderin­gen kwam daar nog heel wat werk bij. Ik kreeg er kracht voor. Ik vond het mooi werk en had de indruk, dat de kerkle­den mijn huisbe­zoeken over het algemeen prettig vonden. Maar toch, in al die jaren ben ik ook wel wat tekort gescho­ten. Ik was er niet altijd als mijn kinde­ren mij nodig hadden. Ik had soms te weinig tijd voor mijn vrouw. Ja en dat heeft ook spannin­gen gege­ven, soms zelfs grote.

Maar daar wil ik het nu niet over hebben. Ik wil eens iets heel anders aan de orde stellen. Al die jaren, dat ik ouderling was, verzette ik veel werk voor de kerk. Gratis. Het is nu eenmaal niet gebruikelijk om als ouderling een onkos­ten­vergoe­ding te krijgen. Het is geen baan, dus je verdient er niets mee. Toch stop je er gigantisch veel tijd in. Je werkt soms onder grote spanning en doet eigenlijk best zwaar werk. Op zichzelf vind ik dat niet erg. Je dient de Here en elkaar in liefde. Voor mij hoeft een onkos­tenver­goeding ook niet. Maar het valt me de laatste jaren op, dat het materi­alis­me toeslaat. Ook in de kerk. Er zijn steeds minder mensen die hun tijd beschik­baar willen stellen voor het ambt. Dat vind ik heel jammer.

Er is me nog wat opgevallen. Wanneer ik mijn huis moet schilde­ren, of er iets in veranderen, dan moet ik dat laten doen. Ik verdien niet echt slecht, maar toch moeten ook wij steeds op de kleintjes letten. We konden dit huisje kopen, maar er moest wel het één en ander aan gebeuren. Door al mijn drukte in de kerkenraad, heb ik meestal niet veel tijd en eerlijk gezegd, ik ben ook niet echt handig. Dus moet ik het laten doen. Op zichzelf prima, maar toch..

In de loop der jaren merkte ik dat andere kerkleden, nooit ambts­dra­ger werden en regelmatig wordt er bedankt voor dit werk. Ik merkte dat er kerkleden zijn die goed kunnen ‘klussen’. Ik merkte dat som­mi­gen zelfs wel iedere zaterdag ‘bijklussen’ en vaak niet voor niets. Al gauw vragen ze tegenwoordig ¦ 15,- tot ¦ 20,-  per uur. Ik weet het, dat is tegen­woor­dig niet veel. En het is ieders verant­woorde­lijkheid. Maar ik vind wel, dat het wat raar verdeeld is. De ene doet in de kerk heel veel noodza­kelijk werk, gratis. De andere helpt, maar doet dat niet voor niets. En het rare is, iedereen vindt dat gewoon.

Misschien was het aanvankelijk jaloersigheid van mij, maar ik heb er eens met wat mensen over gepraat. Ik heb er later iets over ge­schre­ven in het kerkblad. Ik heb het eens op een gemeenteavond aan de orde gesteld. Tjonge wat een tegenwer­pingen kwamen er. Maar achteraf kwamen er twee gemeentele­den naar me toe. En we hebben er eens verder over gesproken. Allebei ‘klusten ze regelma­tig bij’ en vroegen een vast bedrag per uur. Soms namen ze voor een bepaald bedrag de ‘klus’ aan. Ze hadden er nooit zo over nagedacht, dat zij voor hun ‘vrienden­dien­sten’ geld vroe­gen en dat ouderlin­gen hun diensten maar gewoon gratis moesten geven. We hebben er een tijd over gepraat, maar om kort te zijn. Er is een ‘dient elkaar door de liefde’-groep opgezet. In die groep zitten langzamer­hand steeds meer gemeentele­den, mannen en vrouwen.

We hebben twee kaarten­bakken gemaakt. In de ene bak staat wat iemand de gemeenteleden kan aanbie­den. Op de andere staat wat iemand graag zou willen ontvan­gen vanuit de gemeente.

Op mijn ene kaart staat: mensen helpen met geloof- en  praktische proble­men, zoals het invullen van een belasting- of ander formu­lier. Ik kan wel eens iemand rijden naar het ziekenhuis en wil helpen met het organiseren van activiteiten.

Op mijn andere kaart staat: heb hulp nodig bij schilderen van mijn huis, tuinon­der­houd en kleine klusjes.

Er staan al heel wat kaarten in alle twee de bakken. Iedereen die mee­doet aan dit project, belooft per week gemiddeld vier uur gratis diensten aan te bieden aan gemeenteleden. Het project bestaat nu drie jaar en het begint al aardig te lo­pen……”

Hoofdstuk 3: BELANGENBEHARTIGEND VRIJWILLIGERSWERK

3.1 Vrijwilliger in een ouderenbond

Ouderenbonden, vooral niet te verwarren met de ouderenpartijen, timmeren de laatste jaren veel aan de weg en groeien sterk. Door hun belangenbe­harti­gende taken, beïnvloeden deze bonden de beeldvor­ming over ouderen positief. Er zijn drie groter bonden. De grootste is de Unie van Katho­lieke Bonden van Ouderen (Unie KBO), met nu zo’n 225.000 leden. De oudste bond is de huidige Alge­mene Neder­land­se Bond van Ouderen (ANBO) met 205.000 leden. De Protes­tants Christe­lij­ke Oude­ren Bond is de jongste, maar snelst groeiende bond. De afgelo­pen vijf jaar verdubbelde deze bond het ledental van 36.000 naar zo’n 83.000 leden. Oude­renbonden moeten niet verward worden met de recent opgerich­te ouderenpartijen, die politiek willen bedrij­ven. De ouderenbon­den zijn tegen deze “one issue” partijen.

De doelstel­ling van de ouderen­bonden luiden globaal als volgt: het beharti­gen van belan­gen van alle ouderen in de samenle­ving en die van de leden in het bijzon­der. Binnen deze belangenbehar­tiging vallen een groot aantal activiteiten. Activiteiten die zich richten op de individuele oudere, maar ook toekomstge­richte activiteiten, voor de hele groep ouderen. Deze laatste zijn er vaak op gericht om (plaatselijke) politiek te beïnvloe­den. Iedere bond, die toegankelijk is voor de vijftigplussers, werkt vanuit de eigen grondslag of identiteit.

De ouderenbonden zetten zich, waar mogelijk in samenwerking, op lande­lijk, provinciaal en plaatselijk niveau in voor goede ouderenhuis­ves­ting, voldoen­de bejaar­denoor­den en ver­pleeg­huizen, verkeerspro­blema­tiek, gezondheids­zorg en inkomen. Tevens proberen ze een lans te breken voor het blijvend kunnen meeden­ken, mee­spreken en meebeslis­sen op alle terreinen van het ouderen­werk. Ouderen kunnen vanuit de eigen situatie uitstekend aangeven welke problemen zich voordoen bij het ouder worden. De bonden werken toe­komstge­richt, voor de ouderen van NU en LATER. Het blijkt dat daaraan steeds meer ouderen een bijdrage willen en kunnen leveren.

In de praktijk blijken zowel de jongeren als de ouderen een verkeerd beeld van ouderenbonden te hebben. Vele mensen zeggen zich te jong te voelen voor het lidmaatschap van een ouderenbond en denken dat er alleen maar sociëteitachtige activiteiten plaatsvinden. Dit is allerminst waar. Juist de “jongere ouderen”, kunnen heel goed werk doen in de ouderenbonden. Ze behartigen daarmee niet alleen de belangen van de huidig groep ouderen, maar zijn ook voor henzelf toekomst gericht bezig.

In de vele plaatselijke afdelingen, vinden heel geva­rieer­de activi­teiten plaats, zoals:

–           ‘Ouderen helpen ouderen’. In werkgroepverband wordt er vriend­schap­pelijk huisbezoek gebracht of klusjes bij ande­ren opgeknapt. Maar er zijn ook ouderen die een zoge­naamde ombudsfunctie vervul­len. Ze geven adviezen en voorlichting.

–           Huisvestingsgroepen: dit zijn groepen die zich plaatselijk inzet­ten voor betere woningen voor ouderen. De leden van deze werkgroe­pen geven adviezen aan ge­meen­tebestuur­ders en woningbouwver­enigin­gen, bijvoor­beeld over aan­pasbaar bouwen en veiligheid in en om de woning. De gezamenlijke ouderen­bonden ontwierpen toetspunten voor zogenaamde levensbesten­dige huisvesting en bedachten het zoge­naamde Seniorenlabel.

–           Verkeersgroepen houden zich bijvoorbeeld bezig met ver­keers­on­veilige situaties, oversteekplaatsen, veilige fietspa­den enzo­voorts. Zij vragen hier­voor aandacht bij de ge­meente­raad of gemeentelijke commissies.

–           Projecten op het gebied van de thuiszorg, waaronder in sommi­ge plaatsen groepen terminale thuiszorg en onder­steuning mantel­zorg.

–           Werkgroepen in verband met de Wet Voorzieningen Gehan­dicap­ten. Deze werkgroepen houden zich met name bezig met de nieuwe ‘zorg­plicht’ van de gemeenten. De leden behartigen de belangen van zowel de jongere als de oudere gehandicapten op het gebied van de zorg­voorzieningen, zoals aanpas­singen in de wo­ning, vervoers­voor­zienin­gen, rolstoelmogelijkheden en dergelij­ke.

Er zijn leden die zitting hebben in stichtingsbesturen van onder­meer Welzijn Ouderen, thuiszorg en dergelijke. Ook komt het voor, dat er leden afgevaar­digd zijn in een Senioren­raad, andere ge­meentelijke commissies of Regiona­le Patiënten en Consumen­ten Platforms.

In de meeste afdelingen worden er regelmatig ledenvergade­ring gehou­den. Op deze vergaderingen komen de meest uiteenlopen­de onderwerpen aan de orde. Naast ontspan­nende activitei­ten worden er ook belan­genbe­harti­gen­de onderwer­pen bespro­ken. Het komt regel­matig voor, dat het afdelingsbestuur voor de leden een reis organi­seert.

Landelij­ke vertegen­woordi­gers onderhou­den goede contacten met diverse ministe­ries. In de diverse ouderen­bonden is er voor vrijwilli­gers steeds meer werk te doen, op allerlei terreinen.

3.2 Ombudswerk

‘Na tien cursusmiddagen, verzorgd door de gemeente, ben ik nu eindelijk ombuds­man. Raar eigenlijk hè, wanneer je jezelf als vrouw ombudsman noemt. Maar landelijk is ombuds­man nu eenmaal een ingeburgerd begrip, dus….’, aan het woord is Marian Verwoerd (57).

‘Bij ons in het dorp is er een zogenaamd centraal loket voor ouderen. In veel plaatsen is er zo’n loket. Het doel is dat ieder­een terecht kan voor informa­tie, maar er ook om hulpverlening kan vragen. Daarom zijn de taken scherp geschei­den. Er is een beroepskracht, die de privacygevoelige onderwerpen zoals persoonlijke hulp, behandelt. Maar mensen die komen voor informatie of voor­lichting, worden gehol­pen door een vrijwilli­ger.

Die vrijwilligers hebben dus allemaal een opleiding gehad op kosten van de gemeen­te. Zij weten nu hoe de sociale kaart in elkaar zit. Welke instellin­gen er wel en niet zijn en waarvoor en hoe deze werken. Ook zijn de vrijwilligers wegwijs gemaakt in allerlei regelin­gen en gemeen­telijke veror­de­ningen. Door de gemeente zijn ze vervolgens aangesteld als ombudsman. Twee keer per week is er een spreekuur, waar ouderen kunnen komen voor allerlei informa­tie. Dat kan gaan over huisves­tings­mogelijk­heden, huursubsi­die, diverse gemeentelijke heffingen enzovoorts. De mensen worden zo goed mogelijk doorverwezen of van advies voorzien. Van ieder bezoek wordt een verslagje gemaakt. Hiervoor zijn voorgedrukte formulieren ontworpen. Eens in de maand hebben we een bespre­king met de beroeps­kracht en iemand van de gemeente. Er wordt geïnventa­riseerd welke vragen er gesteld worden. Daarop stemt de gemeente het voor­lichtingsbe­leid af. Ook kunnen de vrijwilli­gers daar van elkaar horen hoe de spreek­uren verlopen. Het is de bedoeling om na verloop van tijd een boekje over de 100 meest gestelde vragen uit te geven.  De  vrijwilligers worden daarbij zoveel mogelijk betrok­ken.

Elk jaar is er een bijscholingscursus, want er verandert nogal eens wat. Tussen­door komt er regelmatig nieuw voorlichtings­materiaal. We gebrui­ken een systeem van het Nederlands Insti­tuut voor Zorg en Welzijn (NIZW) en bijna dagelijks komen de nieuwste, voornamelijk landelijke regelingen binnen. Via de gemeenteambtenaar krijgen we ook geregeld de nieuwe raads­beslui­ten door.

Ik moet u zeggen, dat ik politiek steeds meer betrokken raak bij het ge­meen­telijk beleid. Ik ben ook al wel eens tegen zaken aangelopen, die ik bij de gemeente ambtenaar heb aangekaart. Eén keer is mij gevraagd de zaak voor te leggen aan de wethou­der, die er ook werk van heeft ge­maakt op een raadsverga­de­ring.

Het ombudswerk is overigens geen werk dat iedereen zo maar kan doen. Je hebt wel ervaring nodig in het omgaan met men­sen. Je moet goed kunnen luisteren en bepaal­de zaken duidelijk kunnen uitleggen’, aldus mevrouw Verwoerd.

3.3 Patiënten- en consumentenplat­forms

Kees van Houwelingen (70) is gepensioneerd verpleegkundige, kern­ge­zond en nog altijd actief in de belangenbehartiging van patiënten. Hij geeft aan, dat ieder­een wel organisaties kent die zich sterk maken voor specifieke groepen patiënten. Bijvoor­beeld de groep met hart- en vaatziekten, leiders aan psoria­sis of mensen met darm/leverklachten. Deze organisaties zetten zich in voor mensen met dezelfde klachten. Voor een aantal van deze organisaties wordt jaarlijks gecollec­teerd. Natuurlijk collecteert ook hij voor een aantal van deze organisaties.

Maar er zijn in heel Nederland sinds een aantal jaren 27 regionale pati­­­­­­­­­­­­­­­­­ënten/con­su­men­tenplatforms. Deze plat­forms zijn ontstaan door een bunde­ling van diverse specifieke en algemene patiëntenplatforms. Vanuit allerlei groepe­ringen, waaron­der de ouderenbonden en bij­voor­beeld de Nederlandse Patiënten Vereni­ging (NPV) hebben leden zitting in deze regiona­le plat­forms. De deelne­mers komen uit de grote variatie van belangenorgani­saties en praten mee over de pati­­ënten/con­su­men­tenbe­langen in de regio. Een taak die steeds belang­rijker en ook waar­de­voller wordt.

De vrijwilliger in een patiënten/consumentenplatform moet ver­stand hebben van de gezondheidszorg en zal op dit brede terrein beleidsma­tig moeten kunnen meeden­ken, binnen de taken en functies van een derge­lijk platform. En zo’n regionaal pati­­­­ënten/consumentenplat­form (RP/­CP) heeft nogal wat taken en functies, zoals:

* voorlichting en informatie geven aan patiënten en consumen­ten;

* zorgdragen voor de klachtenopvang in de regio;

* het geven van ondersteuning aan de diverse aangesloten organi­saties;

* deelname aan patiënten-,cliënten-, of bewonersraden van instellin­gen;

* deelname aan verzekerdenraden;

* algemene belangenbehartiging van patiënten en ‘consumen­ten’;

* mede ontwikkeling van een regiovisie in het kader van de gezond-           heidszorg.

Van Houwelingen, zelf lid van de Unie KBO, zet zich in eerste plaats in voor de oudere patiënten. Hij vindt dat de gezondheidszorgor­ganisa­ties goed bereik­baar moeten zijn en blijven voor iedere patiënt. En wanneer hij dat zegt, bedoelt hij dit zowel letterlijk als figuurlijk. Gebouwen moeten goed toegan­kelijk en makke­lijk bereik­baar zijn, ook met het openbaar vervoer. Maar de gezond­heidszorg moet ook financieel goed bereikbaar zijn. Daarom zijn er goede afspraken nodig met de verzekeraars.

Van Houwelingen werkt niet alleen. Uit de gezamenlij­ke ouderenor­ganisa­ties is er een groepje leden gevormd met wie hij samen de vergaderin­gen voorbereid. Ieder leest een aantal stukken en probeert zich daarover een mening te vormen. Zowel voor als na iedere plat­form­verga­de­ring komt deze ondersteu­nings­groep bij elkaar. De agenda wordt doorge­nomen en met elkaar worden er standpun­ten ingenomen, die Kees zal uitdragen in het platform. Soms komen er ook heel principiële zaken aan de orde, zoals laatst toen er gesproken werd over de mogelij­ke komst van een hospice in de regio. Een hospice is een huis waar stervenden, door familie en vrijwilligers, zo goed mogelijk en vanuit een huiselij­ke invalshoek geholpen worden in de laatste periode van hun leven. De hospice­beweging werkt echter vooral met menselij­ke zorg, pijnbe­strij­ding en is tegen euthanasie. Dat zijn moeilijke zaken om een goed oordeel over in te nemen.

Kees geeft ook nogal eens voorlichting over de patiëntenbelan­gen. Soms voor groepen ouderen, maar recentelijk ook op een middelba­re school. Voor geen goud wil hij deze vrijwilligerstaken missen.

3.4 Gildenprojecten

Over Gildenprojecten is heel veel te schrijven. In een ander deeltje in deze reeks zal er dan ook uitvoering op worden inge­gaan. Toch kan deze belang­rij­ke vorm van vrijwilligers­werk hier niet onvermeld blijven. In 1984 waren er twee motie­ven waarom in Amster­dam het Gildenproject werd gestart. De maat­schappe­lijke partici­patie van ouderen moest er door vergroot worden. En de beeldvorming van ouderen moest worden verbeterd. Vanaf die tijd is er op vele plaatsen in het land hard gewerkt om Gildenprojecten van de grond te krijgen.

Het Gildenproject heeft een vierledig doel om alle vijftigplussers de moge­lijk­heid te geven hun kennis en ervaring door te geven aan ande­ren. Het project wil de mogelijkheden van ouderen vergroten door het bieden van een zinvolle tijdsbeste­ding. Het wil de kennis en ervaring die onder de ouderen aanwezig is samenbren­gen. Ook wil het Gildenproject stimule­ren dat kennis en ervaring worden gebruikt en overge­bracht. Tenslotte vindt het Gilde dat het project moet bijdragen aan een positieve beeldvorming over ouderen.

In het kort werkt het Gildenproject op de volgende manier: Vijftigplussers die bepaalde kennis en/of ervaring hebben opgedaan, bieden via oproepen en adver­ten­ties aan, dat zij hierin les willen geven. Dat kan aan zowel jongeren als aan ouderen. Belang­stellenden kunnen zich inschrijven voor de bijeenkom­sten waar zij van de ouderen vrijwilliger zijn/haar kennis, vaardig­heden of kunde kunnen leren.

Enkele praktische mogelijkheden: een klompenmaker leert anderen hoe klompen met de hand worden gemaakt. Een nettenboeter doet hetzelf­de. Een ander leert hoe je poppen moet aankleden in de goede kleder­dracht van die streek. Een volgende leert jongeren meer over sterren­kunde enz.

Het Gildenproject voorziet in een behoefte. Wel is het regelmatig moeilijk aan geld te komen om de boodschap uit te dragen. In sommi­ge gemeenten krijgt het Gilde kleine subsidie om advertenties te plaatsen. In andere plaatsen geven Stichtin­gen Welzijn Ouderen, of de gemeente zelf, het Gildenproject ruimte op hun eigen pagina in een huis-aan-huisblad. Via het sociaal cultureelwerk, een stichting welzijn ouderen, maar soms ook in een kerkzaal, is er wel ruimte te krijgen om het Gildenproject daadwer­kelijk uit te voeren. Of er een Gildenproject in de gemeente is kunt u veelal te weten komen via de Stichting Welzijn Ouderen of de gemeentegids.

3.5 Ondersteuning Mantelzorg

Mantelzorg is de zorg die familieleden, vrienden, buren en kennissen elkaar ongeorganiseerd geven. Het is vrijwilligerswerk, waarvoor niet gekozen wordt, maar dat je doet omdat het op je weg komt. Je vrouw wordt ziek en je verzorgt haar. Je oude buurman wordt steeds vergeet­achtiger en je loopt eens vaker bij hem binnen.

Mantelzorg kan grote vormen aannemen, waarbij de mantelzorger soms voor een groot deel van het leven wordt ingeschakeld. Soms zelfs dag en nacht. De mantel­zorger doet het, omdat het moet en omdat hij het een opdracht vindt of vanuit huwelijkstrouw. Maar het dag en nacht klaar staan, soms wel jarenlang, kan je uitmergelen. Je kan er aan onder­door gaan. En met wie moet je dan praten. Waar kun je hulp vinden?

De belangstelling groeit voor deze problemen die vele tienduizenden dagelijks ondervinden, ook in ons land met de vele mogelijkheden. In het kader van het Flankerend Ouderenbeleid zijn er maatregelen getroffen die voor verlichting kunnen zorgen met name aan de familie van ouderen. Er is dagop­vang ontstaan. Er zijn Open Ta­fels gekomen. In sommige gevallen kan een echtge­noot voor enkele weken worden opgenomen in een verzor­gings­huis. Huisart­sen weten vaak meer over verschillende mogelijkheden van opvang. Onder andere ontwikkelen de ouderenbon­den mogelijkheden voor ondersteu­ning van mantelzorg. De Protestant Christelijke Ouderen Bond vliegt in 1995 samen met Wilde Ganzen voor het opzetten van steunpun­ten voor ondersteu­ning mantelzorg. Die steunpunten kunnen worden opgezet door professi­onele instellingen, maar er kan ook gewerkt worden met vrijwilli­gers, die vaak zelf ervaring hebben opge­daan in de mantelzorg.

Vanuit die steunpunten kunnen er gespreksgroepen worden opgericht, waar mantel­zorgers met elkaar in contact worden gebracht en met elkaar kunnen praten. Waar ideeën kunnen worden doorgeven. Waar ze met elkaar kunnen lachen, huilen en bidden. Waar ze even ‘vrij’ zijn en waar ze de moed kunnen oppakken om weer verder te gaan.

Vanuit die steunpunten kunnen er ook spreekuren worden opgezet, waar mantel­zor­gers terecht kunnen met hun persoonlijke verhaal, met hun zorgen en met hun vragen. Vragen die gaan over het leven of over de dood. Maar ook vragen van praktische aard. Wat zijn de wegen om verlich­ting te krijgen in de zwaardrukken­de hulp die ik nu moet geven. Zijn er mogelijkheden om ook eens een korte vakantie te hebben en is er dan een opvangmogelijkheid voor degene die ik nu help? Vragen waar vele mensen mee worstelen. Het is wenselijk dat er in alle gemeen­ten zo’n ondersteu­ningspunt mantelzorg komt en daar zijn naast geld, veel vrijwil­ligers voor nodig.

Maar voor goede mantelzorg is er meer nodig. Ook daarvoor zetten patiëntverenigingen en oude­ren­bonden zich voor in bij hun belangen­behartiging. De politiek zal meer mogelijkheden moeten scheppen, zodat er zorgverlof kan ontstaan. Werken­den moeten meer mogelijk­heden krijgen om vrijaf te nemen wanneer er in hun familie zorg nodig is. Dat geldt voor oudere werkne­mers waarvan de ouders tegenwoordig vaak tot zeer hoge leeftijd zelfstandig wonen, maar ook voor jongere werknemers met een gezin. Het zijn zo maar een paar voorbeelden om aan te geven dat er voor de onder­steuning mantelzor­gers zowel in het voorberei­dende als in het uitvoerende werk nog veel (vrijwilli­gers)werk aan de winkel is.

3. 6Ouderentelefoon

“In deze tijd van veranderingen, ingewikkelde regelgeving en -procedures, krijgen steeds meer mensen behoefte aan informatie. Velen zien door de bomen het bos niet meer. Er zijn ook zoveel verschillende instellingen, regelingen en verorde­nin­gen tegenwoordig. Het aantal bevoegdheden van de gemeenten groeit en door de bezuinigin­gen ontstaan er steeds meer uitzon­deringsclausules, of worden er regels geschrapt. De verande­ringen zijn niet bij te houden. Daar lopen niet alleen jongeren tegenaan, maar zeker ook de ouderen. Om deze groep tegemoet te komen, is er vanuit de protestantse ouderenbond enkele jaren geleden een initiatief genomen dat leidde tot de Lande­lijke Informatie Tele­foon Oude­ren (LITO). Deze telefoon werd aanvankelijk be­menst door leden van deze ouderenbond en Stichting De Ombudsman. Later werd het een project van de gezamenlij­ke ouderenbon­den. Opval­lend was het dat er die tijd veel plaatse­lij­ke infor­ma­tiepun­ten voor ouderen opge­richt werden. Ook werden er in die periode aanzetten gegeven tot het oprich­ten van plaatselijke en provinciale telefoni­sche hulpdien­sten voor ouderen. Dat bete­kende dat de LITO na verloop van tijd kon worden opgeheven. Alleen de gezond­heidstele­foon is, vanuit de Katho­lieke Ouderenbond, momenteel nog bereik­baar, aldus Jan de Korte (64), die vrijwilliger bij een provinciale Ouderen Telefoon is.

Als we Jan vragen waarover ouderen bellen, geeft hij allereerst aan dat veel mensen anoniem bellen. De meeste bellers zijn vrouwen rond de zeventig jaar. De gesprekken gaan vaak over relaties en eenzaamheid. Verder is er veel vraag naar informatie over huisvesting en inko­men. Een enkele keer wordt leeftijds­discri­minatie aan de orde gesteld en gaan de gesprekken over psychosociale, maat­schappelijke en materiële problemen.

Deze telefoon is momenteel één jaar bereikbaar. In die periode is het opgeval­len, dat er ook ‘s nachts mensen willen bellen. Daarom zijn de diensten zodanig uitbreid, dat ouderen nu 24 uur per dag kunnen bellen. De vrijwilli­gers kunnen via een aantal plaatselijke telefoon­nummers worden gebeld. “Het gaat voorlopig om een experiment, maar bij voldoende bellers, gaan we er zeker mee door”, aldus een enthousiaste en gemotiveerde Jan.

3.7 Vrijwilligerswerk buiten Nederland

Oud-managers die het jammer vinden, dat de door hen opgedane kennis en ervaring door bijvoorbeeld pensionering, niet meer zinvol wordt benut, kunnen als expert en oud-manager nog veel beteke­nen voor kleine en middel­grote bedrijven in diverse landen. Het Program­ma Uitzen­ding Mana­gers (PUM) is voor hen een prima organisatie, die al vanaf 1978 bestaat. In samenwer­king met de toenmali­ge minister voor Ontwikke­lingssa­men­werking De Koning, werd PUM in dat jaar opgezet, door het Neder­lands Christelijk Werk­ge­vers­verbond (NCW) en de Vereni­ging Nederland­se Onderne­mers (VNO). In 1993 stonden er al zo’n 1.670 experts ingeschreven, met een gemid­delde leeftijd van 59 jaar.

PUM zendt oud-managers uit naar landen over de hele wereld, met name om kleine en middelgrote ondernemingen te adviseren. PUMmers werken op vrijwillige basis. Zij ontvangen dus geen salaris, maar PUM betaalt wel de reiskosten naar het land en eveneens de verzekering en een bescheiden zakgeld. Huisvesting, levensonderhoud, transport en kantoorfacili­teiten worden door het bedrijf ter plekke betaald. Hoe lang een adviseurschap moet duren, bepalen het betrokken bedrijf en de oud-manager in overleg. Wanneer de missie twee maan­den of langer gaat duren, mag de adviseur de echtgenoot meenemen.

Binnen PUM zijn er landen- en sector coördinatoren werkzaam. Hun taak is het zogenaamde “matchen”, het zoeken van de juiste expert bij de juiste aanvraag. PUM heeft projecten in Afrika, Azië, Latijns Amerika, Centraal- en Oost Europa.

Eén van de belangrijke sectoren in veel ontwikkelingslanden is bijvoorbeeld het toerisme. Experts van de PUM worden uitgezonden ter ondersteuning van de horeca. Maar ook bouw, transport, bankwezen en grafische industrie zijn terreinen waarop PUMmers worden uitgezonden. PUM werkt ook anders­om. Wanneer een adviseur in een bepaald bedrijf adviezen geeft, bekijkt deze of het wenselijk is, dat er eigen mensen uit dat bedrijf opgeleid moeten worden. Wanneer dat zo is, bepaalt de adviseur of er iemand in Nederland bijgeschoold dient te worden. Op deze manier komen er tegen­woordig ook trainees naar Nederland om opleidin­gen te volgen en/of stage te lopen bij bedrijven.

Hoofdstuk 4: VRIJWILLIGERSWERK EN EDUCATIE

4.1 Lees­groepen

Hoe vaak komt het voor, dat je een bepaald boek wilt lezen, maar er eigen­lijk niet aan toe komt? Je beeldt je in dat je geen tijd hebt. Je hebt al zoveel te doen en omdat je niet persé moet lezen, doe je maar wat anders, bijvoor­beeld televisie kijken. Hoe vaak komt het voor, dat je veel over een bepaalde schrijver hoort of in de krant leest en er nooit aan toe komt om één of meer­de­re van zijn boeken te lezen, terwijl je dat eigen­lijk wel wilt?

Deze vragen stellen veel mensen zich, zonder er ooit aan toe te komen echt een boek ter hand te nemen. Johanna van der Zee (62) was één van hen.

Toen ze op 50 jarige leeftijd zichzelf regelmatiger die vragen ging stellen, heeft ze er eens over gesproken met een goede kennis. Het bleek, dat deze hier ook wel eens over nadacht en er zelfs wel met anderen over gesproken had. Hoewel ook die wel graag literatuur wilde lezen, kwamen de meesten er nooit aan toe. Er was altijd wel een excuus.

Johanna heeft met dit gesprek in haar achterhoofd nog wel anderhalf jaar rondge­lo­pen en toen de knoop doorgehakt. Ze is er steeds gerich­ter over gaan spreken met anderen en stelde een lijst op van mensen die geïnteres­seerd waren in lezen. Op een goed moment heeft ze aan al de mensen op haar lijst een brief geschre­ven. Iedereen werd uitgenodigd voor een koffievisite. Nie­mand wist dat ook de anderen waren uitgeno­digd. Wonderlijk genoeg was er maar een enkele afmel­ding. Verreweg de mees­ten waren deze avond aanwezig, terwijl iedereen toch steeds had geroepen het zo druk te hebben.

Toen en daar is de leesgroep geboren. Met elkaar is een vaste avond in de maand vastgesteld, waarop de groep bij elkaar komt. Dat gebeurt op wisse­lende adres­sen. Om beurten is er iemand gastvrouw/-heer, verzorgt de koffie en het fris en stelt het huis ter beschikking. Deze gast­vrouw/-heer is de volgende keer gespreks­leider.

Met elkaar is er nagegaan waar ieders persoon­lijke interesse lag. Het viel op dat bepaalde schrijvers en boeken door meerde­re genoemd werden. Twee aanwezi­gen hebben een lijst opgesteld die met elkaar is bespro­ken. Daaruit is een keuze ge­maakt voor een heel jaar. Eén boek per maand en dat voorlopig tien keer per jaar. Sommigen zijn lid geworden van een boeken­club, anderen halen de boeken in de biblio­theek. Maar allemaal zorgen ze ervoor het boek gelezen te hebben voor de bijeen­komst.

In het begin bespraken ze een boek ‘in het wilde weg’. Maar na verloop van tijd is er afgesproken de boeken op thema’s te lezen. Ieder boek kun je lezen vanuit verschillende invalshoeken. Om er een paar te geven: je kunt nagaan vanuit welke mensmaatschappijvisie het boek is geschre­ven. Ook kun je het boek lezen vanuit de invals­hoek, waarbij je nagaat hoe de hoofdfi­guur omgaat met God, zijn naaste of de natuur.

Al doende kwam er meer structuur in de leesgroep. Ook veran­der­de de samen­stel­ling van de groep. Het bleek, dat voor een goede bespre­king de groep tussen de zes en tien personen moet tellen. Er ontstond een natuurlij­ke selectie tussen lezers die meer voor het plezier wilden lezen en voor de gezelligheid over een boek wilden napraten en zij die dieper op een boek wilden in­gaan.

De groep van Johanna begint tegenwoordig het ‘leessei­zoen’ met een inleiding over de schrijvers van wie er dit jaar boeken worden gelezen. Daarnaast spreken de groepsleden vooraf over een opdracht. In die opdracht wordt aangegeven vanuit welke invalshoek het boek gelezen wordt. Aan de hand van die op­dracht wordt achteraf het boek bespro­ken. In de loop der jaren is er in haar groep vastge­steld om tenminste één keer per jaar een gedich­ten­bundel te lezen en bespreken. Dat was voor de mees­ten iets totaal nieuws, maar het bevalt goed.

Met de verschillende leesgroe­pen is onderling afgesproken om ten­minste éénmaal per jaar een dagje uit te gaan. Dat verdiept de band en verste­vigt de vriend­schap. Uit die gesprekken die er op zo’n dag plaatsvinden, is het duidelijk geworden dat alle ‘leden’ meer zijn gaan lezen, van welke groep ze ook lid zijn. Zowel de moder­nere als de wat oudere literatuur zijn ze beter gaan begrijpen. Wat ook opvalt, is dat de deelne­mers over het algemeen veel bewuster met de tijd omgaan. Ze plannen meer, zodat het lezen niet meer in de verdrukking komt.

Johanna is blij dat ze ooit als vrijwilligster de stap heeft gezet al die

potentiële lezers bij elkaar te roepen waardoor de leesgroep een feit werd. Zij kan het iedereen die een beetje van lezen houdt van harte aanbe­velen.

4.2 Stadsrondleidingsgroepen

Je woont al jaren in een dorp of stad. Je weet er de mooiste, histori­sche en interes­sante plekjes te vinden. Het is dan toch te begrijpen, dat je die plekjes ook aan anderen wilt laten zien. En het is logisch dat je die ander dan ook wat vertelt van de ge­schiedenis en de wetens­waardig­heden van al dat moois.

Dat is gebeurd met Peter Rietveld (72). Hij woont zijn hele leven al in hetzelfde plaatsje en kent er vrijwel ieder­een. Hij weet wie er, wanneer en waar heeft gewoond, wat er met bepaalde families is gebeurd in de oor­logsja­ren en wan­neer bepaalde huizen zijn gebouwd of gerenoveerd. Jaren geleden is hij lid geworden van de heemkundige kring en weet zodoende veel van de plaatselij­ke geschie­denis.

Wanneer Peter met zijn visite een wandeling maakte, kon hij hen altijd veel vertellen bij de mooiste plekjes die hij hen liet zien. Over het algemeen waren zij zeer geïnteresseerd en sommigen kwamen vaker bij hem langs om nog meer te zien en te horen. Dat heeft Peter op een idee gebracht.

In overleg met de gemeenteambtenaren, is er een gesprek geweest met de plaatselij­ke VVV. Peter heeft aangeboden een paar mooie en interes­sante wandel- en fietsroutes uit te zetten, waarover historisch gezien veel te vertellen is. De VVV was hierin erg geïnteres­seerd. Nadat Peter een aantal routes had uitgestip­peld, zijn deze be­sproken en opgenomen in het toeris­ten­plan. Peter heeft de coördinatie op zich genomen en met een paar vrienden uit de heem­kundige kring een stadrondleidingsgroep opgezet. Met elkaar hebben ze de routes gefietst en gelopen. Ieder vertelde wat hij of zij wist van bepaalde gebou­wen en andere plekjes op de diverse routes. Aldoende zijn de verhalen uitge­breid en aangepast. Het was erg leerzaam voor henzelf en in de afgelo­pen jaren is het aantal toeristen toegeno­men.

Door de komst van de rondleidinggroep zijn er meer inwoners geïnte­res­seerd geraakt in zowel de geschiedenis als de situering van de ge­meente. In overleg met de VVV wordt er om de twee jaar één alterna­tieve route uitgezet, die op twee zaterda­gen kan worden gelopen of gefietst. Voor deze routes wordt echt alles ‘uit de kast’ gehaald om er een onvergetelij­ke gebeurtenis van te maken. Met een plaatselijke fotograaf en fotomate­riaal uit het gemeentearchief wordt er een kleine brochure uitgegeven. Hierin staan de foto’s van de belangrijkste onder­delen uit de route, samen met een beschrijving. Iedere deelnemer aan de tocht kan de brochure tegen kostprijs kopen. Jaarlijks groeit de belangstelling voor deze unieke tocht.

Opmerkelijk is, dat er steeds meer jonge­ren geïnteresseerd raken. Een aantal is lid gewor­den van de heem­kun­dige kring. En ook de groep die meedoet aan de tweejaar­lijkse tocht wordt allengs groter. Zij krijgen een speciale korting op het inschrijf­geld. Op deze manier leren zij spelen­der­wijs veel van hun ge­boor­testreek. Ze bouwen met de brochures een wetenswaar­dig archiefje op en kunnen later de taak van hun “oude buren” overnemen.

Peter is nu in overleg met de scholen. Het lijkt hem waardevol om tijdens het vak geschiedenis of maatschappijleer schoolgroe­pen rond te leiden en de jongelui op een leuke manier kennis te laten maken met de plaatselijke geschie­denis en architectoni­sche schoonheid.

4.3 Fauna en flora groepen.

“Heeft de flora of de fauna je interesse, dan is het mogelijk om groepen mensen wat meer te vertellen van je favoriete onderwerp. Naast Stadsrondleidingsgroepen kun je denken aan vrijwil­li­gerswerk in de natuur, in dieren­tuinen of anderszins. Het is mooi werk om anderen te vertellen, wat jij weet van bepaalde bloemen, planten of dieren. In Bur­gers’bush te Arnhem zijn vrijwilli­gers actief om groepen bezoekers rond te leiden en zodoende meer kennis te geven over al die soorten planten en bloemen die in de tropische hal groeien. Ook weten deze vrijwilli­gers veel af van de dieren die in de hal wonen en leven. Op geani­meerde wijze worden de bezoekers rondgeleid en steken tijdens de wandeling heel wat op over bepaalde groei- en bloeiwijzen van de voorkomen­de beplanting. Omdat de vrijwilli­gers de hal kennen ‘als hun broekzak’, weten zij precies waar zij de bezoekers op moeten wijzen en waar de mooie ‘foto­plekjes’ zijn. De ‘bush’ komt tot leven. De bezoe­ker leert onderscheiden welke planten er groeien in de diverse wereldde­len.”

Als Monique Jansen (63) er zo over praat wordt ze helemaal lyrisch. Zijzelf geeft al jaren rondleidingen in een mooi duinge­bied. Ze kent verreweg de meeste mossen, plantjes en andere soorten van begroei­ing. Soms kruipt ze uren over de duinen met een vergrootglas en laat de mensen die ze bege­leidt, genieten van de schoonheid van de natuur en haar kennis over dit alles. In al die jaren heeft ze geleerd waar de vogels nestelen en op welke plaatsen de holen van andere dieren zijn te vinden. Een rondlei­ding met haar is onvergete­lijk.

Je kan dit werk ook niet zomaar doen. Zij is lid van de natuurbe­scher­ming en doordat zij hier haar hele leven al in de buurt woont en zo enorm geïnte­resseerd is in de natuur, mag ze dit doen. Maar ze kan zich voorstel­len, dat er voor de liefheb­ber ook nog wel mogelijkheden zijn om ook op andere plaatsen een soortgelijke vorm van vrijwilli­gerswerk te doen.

Monique raadt iedereen die van de natuur houdt en er veel kennis over heeft of wil krijgen, aan, in de eigen omgeving eens te kijken of er al een vrijwilli­gersorga­nisatie is die zich hiervoor inzet. Zo niet dan is het te over­wegen om eens op het stadhuis of met de plaatselij­ke VVV te gaan praten of er niet zulke initia­tieven ontwikkeld kunnen worden. Het is niet alleen mooi en gezond werk. Het is ook leuk om aan anderen door te geven wat jij van de planten, de natuur, de bloemen en/of dieren weet. Tegelijkertijd wordt je ertoe aangezet veel te blijven lezen, om ook zelf steeds meer te weten te ko­men. Je blijft daardoor zelf bezig. Geeft aan anderen eveneens impulsen om zich verder te verdiepen in de natuur. Je merkt dat er dan nog zoveel niet bekend is en dat je iedere dag er meer bijleert. Maar het aller­mooist is, dat jezelf steeds bezig bent midden in de natuur en kunt genieten van alles dat zo mooi is gemaakt.

4.4 Taalgroepen

Er zijn nogal wat mensen in Nederland, die vroeger niet de mogelijk­heid hebben gekregen om talen te leren. Vaak moesten zij na de lagere school thuis helpen of gaan werken om de kost mee te verdie­nen. Van al deze mensen zijn er in de loop der jaren heel wat kinde­ren geëmigreerd naar Australië of Amerika. Ook na de bevrijding in 1945 zijn er heel wat Holland­se meisjes met Canadezen getrouwd en in dat land gaan wonen. Het gevolg is, dat er nogal wat ouderen zijn die de huidige taal van hun (ach­ter)klein kinde­ren niet kunnen verstaan of lezen, laat staan spreken. Op deze manier vervreemden familiele­den van elkaar en velen vinden dat erg jammer en onwense­lijk.

Natuurlijk zijn er in ons land heel wat sociaal-culturele centra en Volks­hoge­scholen die taalcursussen organiseren, waaraan ook oude­ren kunnen deelne­men. Maar lang niet alle ouderen kunnen of willen de kosten daar­voor betalen. En er zijn ook mensen die liever met alleen leeftijdsgenoten zo’n taalcursus willen doen.

Dat bracht Flip Seldenraat (68) op het idee om, met ouderen die daaraan behoefte hebben, een taalgroep te starten, gewoon bij zich­zelf thuis. Vroeger gaf hij les op de MULO en latere MAVO. Met name heeft hij veel lessen Frans en Engels gegeven. Hij ontwikkelde een methode om op een gezellige manier, samen met andere ouderen één van deze talen te leren. Via een journalist bij de regionale pers kreeg hij enkele artikeltjes in de huis-aan-huisbladen. Daar hebben nogal wat mensen op gereageerd.

Naast het leren van woordjes en het leren spreken, wordt er veel aan­dacht besteed aan het schrijven van eenvoudige brieven. In een heel rustig tempo wordt de kennis van taal en grammatica opgebouwd. De deelnemers vertel­len elkaar wat ze hun (achter)klein kinderen willen zeggen. Met elkaar vertalen ze dit en schrijven het op.

Het is niet alleen leerzaam en gezellig, zo met elkaar bezig te zijn, het resultaat is dat ook de familieband er door verstevigd wordt. De (ach­ter)klein kinderen vinden het geweldig leuk een eigenhandig geschreven brief in hun eigen taal van opa en oma te krijgen. De meesten schrijven dan ook regelma­tig terug en aldoende leren de familieleden elkaar weer kennen. Heel interes­sant vinden de meesten het, de verschillen in cultuur te ontdek­ken. Het leven in een ander werelddeel verschilt nogal wat van het leven hier en nu in ons land. Dat geldt op allerlei gebied. Bij sommige opa’s en oma’s is er een uitwisseling ontstaan over hun leven als kind en dat van hun (ach­ter)klein kinderen nu. Ook komen daarbij bepaalde normen en waarden aan de orde, maar ook het grote verschil in welvaart en ontwikke­lingen in kerk en maat­schappij.

Een aantal is ondertussen op bezoek geweest bij hun kinderen en konden voor het eerst heel direct met hun (achter)klein kinderen spreken, zonder bemidde­ling van de ouders. Ook al gaat dat een eerste keer wat hortend en stotend, het gesprek was heel open. Zeker ook omdat de gesprekken met hen alleen gevoerd werden, zonder bemidde­ling van een tolk. Op deze manier leren de verschillen­de genera­ties van elkaar. Er was weinig schro­om, omdat er ook in de briefwisse­ling al een open relatie was ont­staan. “Ik ken mijn kleinkin­deren in Canada nog beter dan de kleinkinderen die hier in Neder­land wonen”, is een uit­spraak die te denken geeft. Het spreekt de jongeren enorm aan, dat opa en oma moeite doen om in hun eigen taal te spreken en schrijven. Alleen dat al werkt drempelverla­gend voor de om­gang. De deelne­mers praten er met veel emoties en ontroering over. Eén deelne­mer vertelt, dat zijn kleinkind voor het eerst komt logeren.

4.5 Studiekringen

“Je hebt geschiedenis als hobby, maar doordat je een heel leven hard moest werken, heb je je maar weinig kunnen bezighouden met deze hobby. Natuur­lijk, je las wel eens boeken over bepaalde perioden in de geschiede­nis. Soms wel eens een paar streekromannen achter elkaar, bijvoorbeeld uit het begin van deze eeuw. Je haalde ook wel eens (kerk)geschiedenisboe­ken uit de biblio­theek. Maar echt studeren en je verdiepen in de stof, was er niet bij, dat kon ook niet met zo’n drukke baan.”  Aan het woord is Bep Driest (58) in het dage­lijkse leven is zij nog steeds zelfstan­dig verlos­kundi­ge. Maar die taak is ze aan ‘t afbou­wen. “Je kunt het voelen, dat je wat ouder wordt, wanneer je regelma­tig ‘s nachts de deur uit moet. Het valt steeds minder mee. Maar het is en blijft prachtig werk.”

Nu zij het wat rustiger aandoet, heeft ze wat meer tijd voor haar hobby, ge­schiede­nis. Met name is zij erg geïnteres­seerd in de tachtig-jarige-oorlog, de opkomst van het Oranjehuis en de geschiedenis van de negentiende eeuw. Dus ging zij op zoek naar boeken. Lezen vindt ze fijn, maar als je je echt wilt verdiepen in de stof is het ook belang­rijk om er met anderen over te kunnen praten. Daarom heeft Bep in een aantal supermarkten en in een huis-aan-huisblad een ‘advertentie’ geplaatst, om mensen bij elkaar te krijgen die ook belang­stelling hebben voor deze onder­werpen. Natuurlijk praatte zij er ook wel eens over met haar cliënten. Op die ‘advertentie’ hebben zich aanvanke­lijk maar twee mensen gemeld. Een invalide man van 38 met een middel­bare beroeps­opleiding en een vrouw van haar eigen leeftijd die onlangs de  moedermavo heeft gehaald. Met hun drietjes zijn ze gestart en begon­nen bij het voor­spel van de tachtigjarige oorlog. Ze lazen alle drie hetzelfde standaard­werk en ieder las tenminste één boek uit de verwijzingen erbij. Maandelijks komen ze bij elkaar in het plaatselijk restau­rant. Met elkaar spreken ze over het onderwerp dat ze gelezen hebben. Maar na een paar bijeenkomsten merkten ze dat ze meer uitleg nodig hadden. Met elkaar hebben ze opnieuw een adver­ten­tie geplaatst en gevraagd of er niet een oud docent geschie­denis hen kon helpen. Toen dat niet lukte hebben ze contact gezocht met een aantal scholen en de zaak voorge­legd. Uit die contacten zijn ze terecht gekomen bij een man die ruim veertig jaar voor de klas van een middel­bare school heeft gestaan. Hij gaf geschiedenis als voor­keursvak.

“Hoewel deze man aanvankelijk niet veel zag in zo’n studiekring, gezien zijn leeftijd (71), heeft hij later toch toegestemd. Het is nu drie jaar later en maan­delijks hebben we niet alleen heel gezellige bijeenkom­sten. Maar we leren enorm veel. De groep is gegroeid tot 5 mensen en onze vrijwillige ‘leraar’ zet zich enorm in voor deze gemotiveerde groep. Ik kan me voor­stellen dat studie­kringen voor mensen met andere interes­ses dan geschie­denis ook heel goed kunnen functioneren”, aldus Bep.

Hoofdstuk 5: OVERIGE VORMEN VAN VRIJEWILKLIGERSWERK

5.1 Tuiniergroe­pen

Tuinieren is niet voor iedereen weggelegd. De één heeft er geen ‘fee­ling’ voor. De ander heeft geen tijd of geen tuin. Toch letten er veel mensen op de tuin van de buurman tuin. Hoevelen ergeren zich, als er in de wijk tuinen verwaar­loosd bijliggen? Hoe kunnen we al die tuintjes er verzorgd laten uitzien, als niet iedereen zich ervoor kan of wil inzetten? Jaap Knep­per heeft er ervaring mee.

“Als je in de tuin werkt, zie je de natuur, zoals de Schepper die ooit moet hebben bedacht. Heel mijn leven woonde ik in een flat. Geluk­kig heb ik jarenlang een volkstuintje kunnen huren. Maar vier jaar geleden was dat ineens voorbij. We hebben gepro­testeerd, maar dat hielp niets. Ik ben nu 59, zit partti­me in de WAO en werk gedeel­telijk op een klein kan­toortje. Mijn hobby is tuinieren, maar ik woon al jaren op een flatje. Natuur­lijk, ik heb prachti­ge kamerplan­ten, maar lekker buiten in de tuin werken, daar kan echt niets aan tippen. Toen ik noodge­dwongen mijn volks­tuin­tje moest opgeven, heb ik wat anders be­dacht. Ik liep door de stad en bekeek de tuinen. Het viel me op, dat er nogal wat verwaar­loosd bij lagen. Ik heb toen briefjes opge­hangen in diverse supermarkten. Op vrijwillige basis wilde ik wel één of twee tuinen onderhou­den. Er is ook een bericht­je in de krant geko­men. Dat ging makke­lijk, want de journa­list kende ik nog van de acties voor het behoud van de volkstuin­tjes. Kenne­lijk kwam het bericht betrouw­baar over en was het een goed aanbod. Er kwamen veel reacties op. Het blijkt dat mensen tegen­woor­dig zo druk zijn, dat de tuin en wie weet wat meer nog, erbij inschiet. Op twee adressen verzorg ik nu de tuin. We hebben de volgende afspraken gemaakt. De klant zorgt voor goed tuinge­reed­schap en ik houd de tuin bij. Ik krijg koffie en tussen de middag een broodje. Het is heerlijk werk. De stad wordt er mooier door en de mensen zijn geholpen. Wat wil je nog meer? Sinds kort zijn er nog drie vrijwilligers bijgeko­men.”

5.2 Opvoeden is moeilijk

“Gek eigenlijk hè, met zo’n ‘oude taart’ praten over opvoeden. Dat zou je nooit gedacht hebben? Opvoeden is toch een taak voor jonge ouders en zeker niet voor oma’s? Hoewel ik weet dat dat vooroordeel sterk leeft in de samenleving, zal ik nooit aan dat vooroordeel toege­ven. Ik weet het, we staan pas aan het begin, maar ik heb alle moed, dat dit landelijk nog eens een groot succes gaat worden”.

Het klinkt vastbera­den uit de mond van Inge Wouters (68). Zelf is ze moeder van vijf kinde­ren. Vier van hen zijn getrouwd en ze heeft ook alweer zeven kleinkin­deren. Opvoeden heeft ze nooit een makke­lijke taak gevon­den. “Ja toen de kinderen nog klein waren, toen ging het allemaal gezellig en gemakkelijk. Maar ook onze kinderen werden groter en gaven steeds meer tegen­gas. Ze kregen een eigen wil en toen begon­nen er ook in ons gezin problemen. In die tijd kwam ik nauwe­lijks tot niet aan lezen toe. Het vele werk met een gezin nam me enorm in beslag. Maar toch, onbewust miste ik wel gesprekken over opvoe­ding. Ik ben lid van een kerk en op vrouwenver­eniging spraken we er wel eens over, maar doorgaans niet erg diepgaand. Ook op visite waren de kinderen nogal eens onder­werp van gesprek, maar dan alleen in de ‘vrouwenvleu­gel’, als u begrijpt wat ik bedoel. De mannen hadden heel andere onderwer­pen waarover zij zich druk maakten. Maar nu de kinderen de deur uit zijn en ik wel eens met hen praat over hun omgang met hun eigen kinderen, merk ik dat er belangstel­ling bestaat naar mijn mening en vooral naar mijn prakti­sche manier van aanpak. Ik merk in die gesprekken dat ik er goed over kan spreken. Ik heb een bepaalde mate van afstand gekregen en kan alles achteraf ook beter overzien. Dat geeft een bepaalde rust in de ge­sprekken en ik kan ze emotioneel nu ook goed aan. Naar aanlei­ding van die gesprekken ben ik begon­nen me meer te verdiepen in opvoe­dings­vraag­stuk­ken. Ik heb verschillende Tv-programma’s over opvoeden gevolgd en merk dat er in grote lagen van de bevolking meer aandacht is ontstaan voor dit onder­werp. Ik heb me voorgeno­men me meer met de kleinkin­deren bezig te gaan houden. Niet om me met de opvoeding van de kinde­ren te bemoeien, maar veel meer om mijn kleinkinderen beter te leren kennen en zij mij.

Er verschijnen veel boeken over opvoeding, een heel bekende is het ‘Luiste­ren naar kinderen’ van Gordon. Vele opleidingsinstitu­ten bieden cursussen aan voor jonge ouders. Erg goed allemaal in de hectische tijd van tegenwoor­dig. Maar waar ik eigenlijk niemand over hoor, is dat er een link gelegd moet worden tussen ‘jong’ en ‘oud’. Jongeren kunnen naar mijn stellige overtuiging veel van ouderen leren. Ouderen kunnen vanuit hun ervaring goed een gesprek tussen jonge ouders, zowel vaders als moeders dus, leiden. In mijn tijd kwam de opvoeding vooral neer op de schouders van moeder. Maar tegen­woordig, en ik ben het daarmee eens, worden ook vaders meer bij de opvoeding betrokken. Het is geweldig belangrijk, dat ouders met elkaar leren praten over de opvoe­ding van hun eigen kinderen. Je kunt dat doen op al die verschillende cursussen. Maar je kunt dat ook doen als oudere vrijwil­liger, vanuit je eigen levenswijsheid en erva­ring.

Ik ben maar eens begonnen in de kerk waarvan ik lid ben. In het kerk­blad heb ik een stukje geschreven over opvoeden en om reacties ge­vraagd. Nou, die kwamen er. Op grond daarvan heb ik een lijst gemaakt van onderwerpen en me daar meer in verdiept. Okay, ik weet het, ik ben geen psychologe en geen groepswerkster, maar toch heb ik de vaders en moeders een keer bij elkaar geroepen in een kerkzaaltje.  Eens in de twee maanden komen we bij elkaar. Ik verzorg de uitnodi­gingen. Met elkaar bespreken we een onderwerp dat we de volgende keer zullen bespreken. De ouders moeten dat vooraf met elkaar bespreken. Hoe het allemaal gaat worden weet ik nog niet, maar zoals gezegd: Ik heb er veel vertrouwen in.”

5.3 Fotograferen

“Je kunt je laten fotograferen en je kunt zelf foto’s maken. Foto’s-maken is een kunst, die je al doende steeds beter leert beheer­sen. Je kunt er zelfs een eigen stijl in ontwikke­len. Jezelf laten foto­graferen is zeker geen mindere kunst. Natuurge­trouw, ontspannen en relaxt op de foto komen, is eveneens iets waar je je in moet oefenen.

Fotograferen is bepaald niet de goedkoopste hobby, hoewel de kleu­ren­fo­to’s tegenwoordig niet heel duur meer zijn. Wanneer je de hobby verder wilt uitbou­wen, is een redelijke spiegelreflexcamera aan te bevelen. Fotografie is een hobby, die goed in een groep is te doen, liefst onder leiding van een ‘oud-fotograaf’. Foto’s kun je maken voor je eigen artistieke ontplooiing. Maar je kunt ook foto’s maken die gepubliceerd kunnen worden, ergens in de regiona­le pers.

Wanneer je in je leven veel hebt gefoto­grafeerd en er feeling voor hebt, is het vaak de moeite waard om je foto’s eens met anderen te bespreken. Hoe kijken zij tegen jouw foto’s aan?

Wat vinden die anderen mooi, goed, spannend of saai aan jouw foto’s?

Het maken, ontwikkelen en afdrukken van zwart/wit fo­to’s kun je tot hobby maken, door een donkere kamer in te richten. Voor wie dat financieel niet is wegge­legd, is er altijd de mogelijk­heid om na te gaan of er ergens in de buurt een donkere kamer aanwezig is. Je kunt daarbij denken aan afspra­ken met een plaatselijke fotograaf, een vormingsinsti­tuut, het sociaal cultureel­werk, een krant of misschien wel een Stichting Welzijn Ouderen.

Evenals in een Gildenproject kun je door het plaatsen van oproe­pen, mensen bij elkaar krijgen, met dezelfde interesses. Deze mensen vormen een groep, die elkaar adviezen geven over het fotograferen zelf en de gemaak­te foto’s. Er worden ook wel opdrachten aan elkaar gegeven. Bijvoor­beeld het fotogra­feren van vlinders op een bloem, het fotografe­ren van mossen, landschappen of mensen. Maar ook het fotograferen bij onweer, in het donker of met tegenlicht. Op het gebied van fotogra­feren zijn oneindig veel onder­werpen en mogelijk­heden te bedenken.

Met elkaar, als vrijwilligers in een groep, onder leiding van een gepensi­o­neerd deskundige, worden de foto’s steeds artistieker, uitno­digender en indringen­der. Het gebeurt vaak, dat er na verloop van tijd een expositie wordt gehouden. Er zijn plaatsen bekend in Enge­land, waar amateur en professione­le kunstenaars in een gezamenlijke folder een route hebben uitgezet, waarop hun verschillende woningen liggen. In iedere woning hangen foto’s van een aantal mensen. Iedereen is welkom de route te rijden en aan te kloppen om de exposities te zien. Jaap Krol (71), ex fotograaf, over­weegt op korte termijn een dergelij­ke route uit te zetten. Het kost veel tijd en werk, maar het is de moeite waard en het voelt fijn, je werk met anderen te delen.

Een heel andere kant van het fotograferen is het model zijn. Dat kan op oudere leeftijd heel goed. Klaas van Loenen (58) en Marieke Dronkers (61) zijn al jaren model voor amateurfotografen, die zich toeleggen op het fotogra­feren van modellen. Soms staan ze model wanneer ze kleding voor oude­ren showen. Zowel Klaas als Marieke worden ook regelmatig gevraagd voor portretfo­tografie. Het is wel ver­moeiend werk en je krijgt hooguit een onkostenvergoeding. Maar het plezier en de pret die je meestal hebt, ver­goedt erg veel. Zowel Klaas als Marieke hebben hun grenzen duidelijk gesteld. Ze doen niet mee aan naaktfoto­grafie en fotocampagnes over ouderen en seksualiteit. Dat laten zij maar aan anderen over.

5.4 Regionale Omroep

Met hard werken, goede ideeën, veel contacten en enthousiasme, kunnen ook vrijwilligers prima radioprogramma’s maken. En in de toekomst wordt de vraag naar goede programmamakers alleen nog maar groter. Want het aantal regiona­le en plaatselijke radio- en televi­sie­omroepen groeit. Omroepen, die uitzenden in een bepaalde regio en voor een bepaalde publieksgroep. Al die omroepen hebben regelmatig vrijwilligers nodig. Mensen die program­ma’s kunnen opne­men of presente­ren. Mensen die kunnen intervie­wen, of die ver­stand hebben van geluid- of beeldop­na­mes.

Maar bij de regionale omroepen zijn nog véél meer moge­lijkheden voor vrijwil­li­gers. Wat te denken van het programmeren bij of het besturen van zo’n omroep? Er worden niet alleen radioprogramma’s voor ‘jan en alleman’ uitgezon­den. Soms worden program­ma’s speciaal afge­stemd op een bepaal­de doel­groep, bijvoor­beeld zieken, kinderen, tieners, buitenlanders of vrouwen. Steeds vaker zijn er ook speciale uitzendingen voor de 50+-groep. De regionale radio is al ingebur­gerd. Allengs ontstaan er ook steeds meer regionale televi­siepro­gram­ma’s. Een nieuwe markt, die enorm in op­komst is en waar nog veel vrijwil­ligers­werk gedaan kan worden.

Jaap Milder (63) geeft aan, dat hij met volle overgave is begonnen aan een ziekenomroep. In eerste instantie draaide hij populaire muziek en verzorgde een verzoek­platenprogram­ma. Dat leverde veel brieven op. Sommige brieven waren nogal persoonlijk van aard. Jaap is op één van die brieven eens heel direct inge­gaan. Hij heeft vooraf de schrijver gebeld en deze stemde er in toe tijdens de uitzending telefo­nisch geïnterviewd te worden. Onvoorstel­baar groot was het aantal reacties dat Jaap op dit eerste interview kreeg. Er kwamen vragen van allerlei aard en ‘stof’ genoeg om meerdere programma’s te vullen. Het bleek, dat veel reacties afkomstig waren van ouderen. In overleg met de program­macommissie heeft Jaap meer zendtijd gekre­gen, om zich met name toe te leggen op radio voor ouderen. Het mochten geen ‘zeur’-programma’s worden. De inhoud moest positief van aard zijn en gericht op de actieve ouderen. Jaap heeft zich inmiddels geabon­neerd op de diverse bladen van de oude­ren­bonden. Op deze manier blijft hij goed op de hoogte van de ontwikkelingen in het ouderenbe­leid. Ook heeft hij contact gelegd met de voorlichters van de bonden. Door deze goede contacten is het mogelijk, dat Jaap zo nu en dan een primeur kan uitzenden. Hij is op deze manier goed op de hoogte van speciale gebeurte­nissen in zijn uitzenddistrict. Zo kon hij het afgelopen jaar staatsse­cretaris­sen, ministers en andere politieke leiders interviewen. Vanwege zijn contacten met een aantal persvoor­lichters, krijgt hij regelmatig een mooie opnameplaats bij belang­rijke gebeurtenis­sen.

Als programmamaker ben je altijd bezig met vernieuwing en het is wenselijk regelmatig na te gaan waarin luisteraars interesse hebben. Er bleek behoefte aan informatie uit de kerken. Sinds kort heeft hij zich daarom geabon­neerd op alle plaatse­lijke kerkbla­den en toestem­ming gekregen via de omroep informatie te geven over activiteiten en wetens­waar­digheden van die ver­schil­lende kerken. Hij doet dit omlijst met geeste­lijke mu­ziek. Het aantal luisteraars is toegeno­men en ook het aantal reacties is meer dan verdub­beld. Jaap heeft het gevoel dat hij nuttig en belang­rijk werk doet voor zijn luiste­raars. Hij vraagt hen ook regelma­tig om tips, waarmee de program­ma’s nog beter op hun behoeften kunnen worden afgestemd. Het is Jaap wel opgeval­len dat, zodra je jezelf actief en positief opstelt, dit heel direct gevol­gen heeft voor jezelf. De mensen denken dat je overal verstand van hebt en dat je altijd beschikbaar bent. Dat is natuur­lijk onmogelijk voor een vrijwilli­ger.

In de loop der tijd, heeft Jaap daarom enkele nieuwe assistenten ge­zocht, die hem volledig onder­steunen en bepaalde taken van hem overnemen. Samen vormen ze een team, waaraan Jaap leiding geeft.

Wat Jaap betreft, gaat hij nog jaren door met dit vrijwilligerswerk.

5.5 Hobby’s

Je houdt van spoortreintjes, maar je hebt er te weinig geld of ruimte voor. Of je houdt van modelvliegtuigjes en vindt het niet leuk om in je eentje met zo’n ding te vliegen. Ja, dan moet je wat. Pieter van Stavoren (71) was ook zo iemand. Hij was gek op spoortreintjes, maar had absoluut geen geld en ruimte in zijn woning om een leuk spoorwegemplacement te kunnen opbou­wen.

Na vele gesprekken met zijn vrouw plaatste hij uiteindelijk een adver­tentie om met anderen die dezelfde hobby hadden in contact te komen. Aanvanke­lijk belden er een stuk of zeven. Zowel jongeren als ouderen. Zij wilden er wel eens over praten. Eerst praatte Pieter met ieder van hen apart. Vervol­gens heeft hij ze alle zeven een brief geschre­ven en uitgenodigd in een plaatse­lijk restau­rant. Onder het genot van een kopje koffie hebben ze kennis met elkaar gemaakt.

Het bleek dat ze allemaal graag hun hobby zouden willen uitbou­wen, maar daar­voor thuis geen ruimte en/of financiële mogelijkheden hadden. Het leek alle aanwe­zigen goed eens uit te zoeken of er een hobbyclub opgericht kon wor­den. Drie van hen, waaron­der Pieter, hebben een inventa­risatie gemaakt van de verschillende treintjes en de hoeveel­heid rails die er al beschikbaar waren. Even­eens bekeken zij of er ergens een geschikte ruimte te huur of te koop was en wat daarvan de kosten zouden worden. Nadat zij hun bevindin­gen op papier hadden gezet, is er met elkaar verder over gesproken.

Om kort te gaan. De hobbyclub is gestart. Er is een ruimte gehuurd. Met elkaar is er een groot spoor­wegcircuit gebouwd. Elke maand is er een open huis waar iedereen kan komen. De bezoekers geven een “vrijwillige bijdrage”  voor het onderhoud van de banen en ter dekking van andere kosten. Tot op heden is het een succes. Er is zelfs een basisschool, die eens per jaar een soort excursie organiseert. De jongelui krijgen daar­door inzicht in het creatief zijn in de vrije tijd, ook voor hun toekomst.

5.6 Koken

Nieuwe initiatieven op het gebied van vrijwilligerswerk zijn er nog steeds. Vanuit Engeland en sinds enige jaren ook in Nederland, kennen we de zoge­naamde Abbeyfieldprojecten. Dat zijn wooncentra, meestal voor ouderen, waarbij naast andere gemeenschap­pelijke ruimten, ook een gemeen­schappe­lijke keuken aanwezig is. De bewoners huren een woning, waarvoor over het algemeen gewoon huursubsi­die kan worden aangevraagd. Wan­neer je eenmaal in zo’n woning bent gaan wonen, is er de moge­lijk­heid dagelijks voor een betaalbare prijs een maaltijd te kopen. De kok van zo’n Abbey­fieldproject is een professi­onal die als vrijwilli­ger, meestal bij toer­beurt en in samenspraak met andere koks, de maaltijden verzorgt voor de bewo­ners.

Maar koks kunnen in hun vrije tijd nog meer doen met hun vak. Er zijn tegenwoordig speciale eetcafés voor mensen met een verstandelijke handi­cap. Deze mensen kunnen voor een redelijke prijs de maaltijd gebrui­ken in het eetcafé. Door de inzet van vrijwilligers kan de prijs laag worden gehou­den en ontstaat gelijktijdig ontstaat er een ontmoetingsmogelijk­heid voor deze groep mensen. Het is voor een kok heel mooi vrijwilligerswerk. De gebruikers kunnen dagelijks kiezen uit meerdere menu’s, waarvoor zij een week van te voren dienen in te schrijven. Op grond van die gegevens doet de kok zelf inkopen. Je kunt op deze manier heel goed de hoeveel­heden inschat­ten die je inkoopt en dat werkt ook kostenbesparend. Het blijft iedere keer weer een uitdaging om de maaltijden zo lekker te maken, dat de bezoekers echt enthousiast zijn.

Het is te overwegen om bijvoorbeeld via een Rotaryclub een bijdrage per maaltijd te krijgen, zodat de prijs nog verder naar beneden kan.

5.7 De spelotheek

Spelletjes doen is leuk, gezellig en soms ook leerzaam. Maar spelletjes kopen is duur. En in de praktijk merk je, dat een bepaald spel na verloop van tijd gewoon in de kast blijft staan. Datzelfde geldt voor speel­goed. Daar moest wat op gevonden worden. En zo ontstond in veel gemeen­ten de “spelotheek”. Een uitleenbureau voor spelletjes en speelgoed. Soms is een spelotheek voor iedereen toegankelijk. Vaak is een spelotheek er voor een bepaalde doelgroep bijvoorbeeld zieken en/of gehandicapten.

In zo’n spelotheek werken vrijwilligers. Zij ontvangen de bezoe­kers. Leggen hen uit wat de spelregels van de spelotheek zijn en adviseren hen.

De vrijwilligers werken bij toerbeurt, volgens een opgesteld rooster en houden in een schrift bij wat er in de uitleenuren is gebeurd, welke materia­len er uitge­leend zijn en aan wie. Op die manier kom je er ook achter, hoeveel vraag er is naar een bepaald spel of speelgoed. Op grond daarvan kun je ook je aanschaf bepalen. Dat gebeurt in een vergadering, eens in de maand. Hierbij zijn alle vrijwilligers aanwezig.

Het komt voor, dat de vrijwilliger bij mensen thuis op bezoek gaat. Soms zijn dat ouderen, die niet zo goed ter been zijn. Soms is dat bij iemand die een ongeluk heeft gehad. Meestal wordt alleen het bestel­de spel of speelgoed langs gebracht en later opgehaald. Maar Miep Bols (63) heeft het ook wel meegemaakt dat ze gedurende drie maanden wekelijks bij iemand thuis  een spelletje scrabble speelde. Daardoor blijft je functie als vrijwilliger niet beperkt tot alleen het assisteren bij de uitleen. Maar heb je ook een bredere sociale taak. Het kan er allemaal bij horen en je kunt er zelf wat van maken.

5.8 Collecteren

“Vrijwel wekelijks komt er een collectant aan de deur, zeker in een bepaald jaargetijde. De gemeenten geven daarvoor toestemming en maken een rooster, waarbij zij zich laten leiden door de landelijk georganiseerde collectes.

U kent de vragen wel:

‘Heeft u wat over voor de Lever Darm Stichting?’

‘Wilt u misschien wat geven voor de Stichting Zuid Oost Azië (ZO­A)?’

‘Ik collecteer voor de Nierstichting, wilt u een bijdrage geven?’

Om een landelijke collecte te doen slagen moet er veel werk achter de scher­men worden verzet. Er moeten collectanten en plaatselijke coördinatoren zijn. Voor het collecteren kun je je meestal opgeven via een gemeen­telijke contact­persoon. Vaak is zo’n iemand te vinden in de gemeente­gids. Maar je kunt ook informatie vragen bij de collectant, die aan de deur komt. Als collectant kom je bij veel mensen aan de deur en je kunt vaak ook informa­tie kwijt over het doel waarvoor je collecteert. Het leuke is, dat je zelf een keus kunt maken uit die doelen, die je van belang vindt en waaraan je zelf ook graag geeft. Wanneer je gemotiveerd kunt aangeven waarom je collecteert en waarvoor het geld wordt gebruikt, heeft dat vaak positieve resultaten voor de gift die mensen geven.

Maar om in alle wijken collectanten te krijgen is plaatselijk coördina­tie nodig. Er moet nu eenmaal iemand zijn, die collectanten zoekt, de collecte­bussen of lijsten uitdeelt en het geld achteraf in ontvangst neemt. Meestal is ook deze coördinator een vrijwilli­ger. Soms is hij/zij gevraagd door de collecterende organisatie zelf. Soms ook geven vrijwilligers zichzelf op als coördinator bij een organisatie. Het zoeken naar vrijwilli­gers is, zeker de eerste keer, een hele klus. Toch is het hartver­warmend als je merkt hoe mensen zich willen inzetten en hoeveel er uitein­delijk gegeven wordt.”

Hoofdstuk 6: SLOT

6.1 Er kan nog veel meer

Vrijwilligerswerk, nee, dat doe je NOOIT voor niets. Dat doe je altijd voor de ander. Een groep. Een individu. Vele verschil­len­de soorten vrijwilligers­werk kwam u tegen in dit boekje. Zomaar een greep uit de praktijk van alledag, werker­va­ring en interviews. Dit boekje is geschreven voor al die mensen, die al zinvol vrijwilli­gerswerk doen, maar misschien nog wel eens wat anders willen. Het is geschre­ven voor iedereen die ouder wordt, dus ook jongeren kunnen het heel goed lezen. Het is allerminst een compleet werk. Maar het geeft ideeën. Ideeën over bestaand vrijwilligerswerk en vrijwilli­gerswerk dat nog in ontwikke­ling is. En deze voorbeelden zijn met legio uit te breiden.

Ik heb het bijvoorbeeld niet gehad over het vrijwilligerswerk bij Greenpeace, Veilig Verkeer Nederland, Amnestie International, Stichting Kinderoncologi­sche Vakantiekampen, Voetgangersverenigingen, het Wereld Natuurfonds, de Vereniging ter Bescher­ming van het Ongeboren Kind (VBOK). Ook werd niet genoemd de voorlees opa/oma op de basisschool.

Maar erg is dat niet. Na lezing van dit boekje zijn er ideeën opgedaan. Ideeën die creatief kunnen worden opgepakt en uitgebreid. Ieder kan met deze ideeën wat gaan doen, nu of in de toekomst. Er is bestaand vrijwilli­gers­werk. Er zijn vrijwillige vacaturebanken, waar je navraag kunt doen. Er is een landelijk steunpunt van Nederlandse Organisaties Vrijwilligerswerk te Utrecht. Ze kunnen informatie geven. Er kunnen ook zelfstandig nieuwe activiteiten opgezet worden. Ieder heeft in eigen omge­ving vast wel een voor­beeld waar nog iets mee gedaan kan worden. En je kunt altijd navragen in je eigen gemeente of je eigen idee ‘een gat in de markt’ is. Voorkom, dat u het betaald werk daarbij voor de voeten loopt. Vrijwilligerswerk kan aanvulling geven, maar vervangt geen betaald werk.

Raadpleeg daarom altijd eerst de gemeentegids voor adressen en telefoon­nummers van plaatselijke Stichtingen Welzijn Ouderen, Senioren­ra­den, afdelingen ouderenbonden, Vrijwillige Vacature­banken, Gildenprojecten, projecten Thuiszorg, patiëntenver­enigingen en dergelij­ke.

Ik wens iedere lezer veel zinvolle uren toe, gericht op die ander, want dan doe je het niet voor niets.

Comments are closed.